Dagbladen

Achtergronden bij artikelen in de dagbladen

DatumDagbladArtikel
2010 
21-02-2010TelegraafExtra hoge korting winkelverkoopsters belast
20-02-2010TelegraafBelasting op huurauto ligt onder vuur
20-02-2010TelegraafWOZ-voordeel bij FC Twente
11-02-2010TelegraafBehandel alle WOZ-bezwaren
06-02-2010TelegraafTipgever zwartspaarders: echte held of sluwe boef
05-02-2010TelegraafRechter: Speurwerk naar zwartspaarders gebrekkig
04-02-2010VolkskrantZwartspaarders zijn nationale zondebokken
03-02-2010VolkskrantDe Jager wil Duitse spaarderslijst zien
14-01-2010De StandaardHet kan nog beter/erger
2009 
04-11-2009TelegraafFiscale boete AZ van tafel
30-10-2009TelegraafBedrijfsstoel in stadion fisaal gunstig
06-10-2009TelegraafFiscus mist miljoenen aan drugsgelden
28-08-2009TelegraafTopman PWS kocht jacht met fraudegeld
15-08-2009TelegraafKritiek belastingexperts gebruik fiscale dwangsom
14-08-2009TelegraafTrustkantoor met billen bloot
02-07-2009TelegraafSpoedwet tegen afkoop lijfrente
20-06-2009TelegraafStormloop verwacht op afkopen lijfrentepolis
10-06-2009TelegraafRechter geeft moskee belastingvoordeeltje
24-05-2009TelegraafSchenking crimineel onbelast
11-05-2009TelegraafFiscus moet geheime deals met multinationals tonen
08-05-2009TelegraafAankopen van rijksmonument stuk goedkoper
15-04-2009TelegraafSenator Russell is schuldig aan kunstsmokkel
09-04-2009TelegraafMonument fiscaal aantrekkelijk
06-04-2009TelegraafFiscus hoeft niet in Ferrari te rijden
05-04-2009TelegraafWoz lager dankzij foto's
20-03-2009TelegraafForse nota fiscus voor dga
13-03-2009TelegraafFraudeur wil baan bij fiscus terug
03-03-2009TelegraafAfscheidsborrel als aftrekpost
25-02-2009TelegraafOndernemer mag bruilof als bedrijfsfeest aftrekken
03-02-2009TelegraafFiscus geeft extremisten geld terug
31-01-2009NRCLiever de koopman spelen dan dominee
30-01-2009TelegraafMeewerkende partner kan zelfstandigenaftrek krijgen
10-01-2009NRCFiscus wil kinky kleding niet belasten
10-01-2009TelegraafFiscus blundert weer met aftrek
09-01-2009TelegraafFiscus vergeet successierecht
2008 
18-12-2008TelegraafUitleg gevraagd over korting fiscus prostituees
18-12-2008TelegraafKorting sekswerker boeit werknemer
17-12-2008TelegraafFiscus ontziet prostituees
12-11-2008TelegraafHoge Raad eigenwijs langs adviseur
13-10-2008TelegraafRuzie met fiscus om jackpot
05-10-2008TelegraafAanslag fiscus 17 jaar na overlijden
26-08-2008TelegraafVader krijgt BPM als boete bij noodrit
19-08-2008TelegraafCoffeeshophouder vrijgesproken van witwaspraktijken
14-08-2008TelegraafFoute aftrek goed
11-08-2008TelegraafOZB betalen voor pand in aanbouw
04-07-2008TelegraafParkeerautomaat te laat wakker
24-06-2008TelegraafWijn over grens kopen extra belast
07-06-2008TelegraafGrenswerker krijgt Belgische aftrek
29-05-2008TelegraafFiscus wint van free record shop
10-05-2008TelegraafAderlating schatkist door miljoenenaftrek emissies
03-05-2008TelegraafFiscus moet draaiboek voor opsporen zwart geld tonen
20-03-2008TelegraafHogere belasting voor kampeerders
14-03-2008TelegraafGemeenteblunder WOZ-aanslag
23-02-2008TelegraafBurgers haken na controles af
11-02-2008TelegraafGeen bewijs tegen zwartspaarders
10-02-2008TelegraafModezaak dupe fiscus
06-02-2008ParoolRotte grasmat levert geld op
05-02-2008Telegraaf'Plaggenhut' ArenA krijgt korting fiscus
03-02-2008TelegraafVader beboet na joyriden zoon
24-01-2008TelegraafBoete fiscus na 'proefrit'
2000-2007 

Extra hoge korting winkelverkoopsters belast

Kledingkorting voor winkelpersoneel volledig belast

BV X exploiteerde een aantal winkels in dameskleding en verplichtte haar werknemers in bepaalde functies om tijdens werktijd door hen uit te kiezen kleding van het bedrijf te dragen. Hiervoor gold een kortingsregeling van 60% van de bruto verkoopbedragen. De kleding was geen werkkleding. De inspecteur stelde dat sprake was van een verstrekking van kleding die tot het loon moest worden gerekend voorzover de waarde van de kleding meer bedroeg dan het maximum van de vrijstelling voor producten uit eigen bedrijf. BV X ging in beroep en stelde dat sprake was van een vrije verstrekking. De Hoge Raad besliste dat verstrekkingen slechts als vrije verstrekking konden worden aangemerkt voorzover zij geacht konden worden te strekken tot voorkoming van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, of voorzover sprake was van verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel werden ervaren. In dit geval ging het om kleding die geschikt was om ook buiten werktijd te worden gebruikt, die voor onbepaalde tijd werd verstrekt en eigendom werd van de werknemers. Dan kon volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat het privé-element overheerste en werd niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 17, lid 1, Wet LB aan een vrije verstrekking werden gesteld. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat voor de omvang van het loon niet kon worden uitgegaan van de besparingswaarde, omdat het verstrekken van kleding, met uitzondering van werkkleding, in het algemeen loon in natura opleverde dat moest worden gewaardeerd naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kon worden toegekend. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

Bron:
Fida 20100602 - Hoge Raad 5 februari 2010 08/05235


Belasting op huurauto ligt onder vuur

Prejudiciële vragen over teruggaafregeling BPM

Het in Duitsland gevestigde autoleasbedrijf X GmbH verhuurde van 22 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 een personenauto met een Duits kenteken aan BV Y in Nederland. BV Y stelde de auto aan haar directeur (A) ter beschikking. A gebruikte de auto hoofdzakelijk in Nederland. A ontving naar aanleiding van een controle een informatieformulier inzake de verplichting BPM te voldoen. X GmbH ging in beroep en stelde dat de heffing van BPM in strijd was met het EG-verdrag, omdat daarbij geen rekening werd gehouden met de duur van de huurovereenkomst of met het gebruik van het Nederlandse wegennet. Daar deed volgens X GmbH niet aan af dat er een teruggaafregeling in artikel 14a Wet BPM bestond. Rechtbank Breda stelde voorop dat sprake was van een verhuurovereenkomst van tijdelijke duur en dat geen sprake was van een situatie waarin de auto was verhuurd voor duurzaam gebruik in Nederland. De BPM-teruggaafregeling van artikel 14a Wet BPM voorzag in 2009 volgens de Rechtbank per saldo in een heffing die evenredig was aan de tijd dat een auto in Nederland werd gebruikt. Buitenlandse autoverhuurders moesten de volledige BPM in één keer op aangifte voldoen, waarna bij uitvoer uit Nederland een deel van die BPM (zonder rentevergoeding) werd teruggegeven. Dat buitenlandse autoverhuurders ook bij tijdelijke verhuur direct het volledige BPM-bedrag verschuldigd werden, maakte die verhuur volgens de Rechtbank voor hen onmiskenbaar onaantrekkelijk, zodat sprake was van een belemmering van het vrij verkeer van diensten. De oorspronkelijk voorgestelde wettekst van artikel 14a van de Wet BPM voorzag in een tijdsevenredige heffing zonder vooruitbetaling van de BPM, zodat volgens de Rechtbank een minder belemmerende heffing mogelijk. De rechtvaardiging voor de invoering van de huidige regeling was de gelijke behandeling van in Nederland gevestigde autoverhuurbedrijven en autoverhuurbedrijven in andere lidstaten. De Rechtbank vond het echter twijfelachtig of dat een voldoende rechtvaardiging kon zijn voor het belemmeren van de vrijheid van dienstverlening. De Rechtbank besloot hierover prejudiciële vragen voor te leggen aan het EG-Hof van Justitie en hield de beslissing aan totdat het EG-Hof uitspraak heeft gedaan.

Bron:
Fida 20100923 - Arr.rb. Breda 18 januari 2010 AWB09/2685


WOZ-voordeel bij FC Twente

WOZ-waarde voetbalstadion vastgesteld op bedrijfswaarde

De gemeente Enschede stelde de WOZ-waarde van het voetbalstadion van BV X per 1 januari 2003 vast op een gecorrigeerde vervangingswaarde van € 8.821.000. Rechtbank Almelo stelde de gemeente in het gelijk. BV X liet het er niet bij zitten en bepleitte in hoger beroep dat moest uitgegaan van de bedrijfswaarde die zij berekende op € 1.038.985. Hof Arnhem was het met BV X eens dat het stadion rondom de peildatum bedrijfsmatig werd gebruikt, omdat het stadion niet op grond van met name het algemeen belang werd geëxploiteerd, maar het overwegende belang bij de exploitatie van het stadion in de commerciële verhuur lag. De exploitatie van het stadion was al enige tijd verliesgevend en rondom de peildatum was de in rekening te brengen huur zelfs verlaagd. Het Hof concludeerde dat de gecorrigeerde vervangingswaarde moest worden bepaald met toepassing van een zodanige factor voor functionele veroudering en dat de waarde overeenkwam met de bedrijfswaarde van het stadion. Aangezien BV X de gebruiker was van het stadion moest de bedrijfswaarde die waarde zijn die het object voor de eigenaar zelf had. In dat geval kon de waarde, waarvan kon worden uitgegaan, niet hoger zijn dan het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut opleverde als de te waarderen zaak. Het Hof vond de stelling van BV X aannemelijk dat de indirecte opbrengstwaarde nihil bedroeg vanwege de structureel negatieve resultaten. Het Hof volgde ook de door BV X gestelde directe opbrengstwaarde van € 1.288.985 die de gemeente niet had betwist. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X gegrond en verminderde de WOZ-waarde voor het tijdvak 2005 en 2006 naar € 1.288.985.

Bron:
Fida 20100641 - Hof Arnhem 26 januari 2010 08/00032


Behandel alle WOZ-bezwaren

Fierensmarge volgens AG in strijd met eerste protocol EVRM

X maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, die was vastgesteld op € 99.000. De gemeente verklaarde het bezwaar ongegrond, maar stuurde kort daarna een ambtshalve kennisgeving waarin stond dat "de correcte WOZ-waarde" € 95.000 bedroeg, maar dat de WOZ-waarde niet op dat bedrag kon worden vastgesteld door toepassing van de Fierensdrempel van artikel 26a van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Hof Den Haag (zie FutD 2008-0983) bevestigde in navolging van Rechtbank Rotterdam (zie FutD 2006-1412 met ons commentaar) het standpunt van de gemeente. X ging in cassatie.

Advocaat-Generaal (AG) van Ballegooijen heeft naar aanleiding daarvan een conclusie genomen. Artikel 26a van de Wet WOZ maakte volgens de AG een inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM. Een overheidsmaatregel die het eigendomsrecht aantastte, was onrechtmatig als zij verstrekkende gevolgen had voor een eigenaar, verweer was uitgesloten en een andere maatregel aan de overheid ter beschikking stond om zijn doel te bereiken. De belastingplichtigen, van wie eigendomsrechten door de belastingheffing werden aangetast, konden zich volgens de AG door de drempel voor bezwaar- en beroep, niet weren tegen foutieve waardebepalingen van hun onroerende zaak. Het nadeel voor de belastingplichtigen gaat volgens de AG weliswaar over geen grote bedragen, maar waren ook niet onbeduidend te noemen. Er werden jaarlijks vele duizenden belastingprocedures gevoerd om dezelfde geringe belangen. De overheid staat volgens de AG ook een alternatief ter beschikking, namelijk de invoering van een stelsel van waardeklassen. Daarmee wordt hetzelfde doel gediend, namelijk conflictbeheersing en uitvoerbaarheid van de Wet WOZ, maar wordt geen afbreuk gedaan aan de rechtsbescherming van de eigenaar van een onroerende zaak die te hoog is gewaardeerd. De AG adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep van X gegrond te verklaren.

Conclusie AG 29-12-2009, nr. 08/2324 (Fida 20100609)

Ons commentaar
Met ingang van 1 januari 2005 werd in artikel 26a van de Wet WOZ op amendement van het Tweede Kamerlid Fierens een drempel ingevoerd. Op grond van deze zogenoemde Fierensdrempel wordt de door de gemeente bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde geacht juist te zijn als die waarde maximaal een bepaald percentage of bedrag afwijkt van de daadwerkelijke WOZ-waarde. Bezwaar en beroep heeft dan alleen zin als de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde méér dan de in artikel 26a van de Wet WOZ opgenomen marge afwijkt van de volgens de regels van de Wet WOZ vast te stellen waarde. De Fierensdrempel werd ingevoerd om bezwaar en (hoger) beroep tegen een waardebeschikking in te dammen. De Hoge Raad besliste op 15 februari 2008 (zie FutD 2008-0323 met ons commentaar) dat voor de toepassing van deze drempel moet worden uitgegaan van de in de oorspronkelijke WOZ-beschikking opgenomen WOZ-waarde, en niet van de waarde in de uitspraak op het bezwaar van de gemeente of de uitspraak van de rechter is vastgesteld. Verder besliste de Hoge Raad dat gemeenten de Fierensdrempel buiten toepassing mogen laten. De vraag naar de toelaatbaarheid van de Fierensdrempel was toen niet aan de orde, deze staat thans wel centraal in de lezenswaardige conclusie van Advocaat-Generaal (AG) Van Ballegooijen.

Volgens de AG leidt de Fierensdrempel weliswaar tot ongelijke behandeling, maar niet tot een verdragsrechtelijk verboden discriminatie, omdat de wetgever gezien zijn ruime beoordelingsvrijheid op fiscaal gebied vanuit het oogpunt van kosten- of werkbesparing een drempel mag invoeren om bezwaar- en beroepsprocedures terug te dringen. De heer van Ballegooijen vindt het begrijpelijk dat de wetgever discussies tussen gemeenten en belastingplichtigen over betrekkelijk geringe waardeverschillen wil voorkomen, maar de keerzijde hiervan is dat belastingplichtigen door de Fierensdrempel genoegen moeten nemen met onmiskenbare fouten in de taxatie bijvoorbeeld als het taxatierapport een dakkapel in de WOZ-waarde opneemt, die er niet is, of van een te grote oppervlakte of te grote inhoud van het object is uitgegaan. De Fierensdrempel sluit onbenullige grieven uit, maar kan er ook toe leiden dat serieuze grieven worden uitgesloten van rechtsbescherming. Ofschoon het financiële nadeel van de belastingplichtige niet groot is, is volgens de heer Van Ballegooijen zeker geen sprake van een onbeduidend bedrag (in alle gevallen meer dan € 40). Zeker als men in aanmerking neemt dat de reikwijdte van WOZ-waarderingen veel groter is dan alleen de functie van heffingsmaatstaf voor de lokale heffingen als de OZB en waterschapsomslag, en voortaan ook geldt als uitgangspunt voor het eigenwoningforfait in de inkomstenbelasting, voor de bodemwaarde van afschrijvingen op vastgoed in de vennootschaps- en de inkomstenbelasting en vanaf 1 januari 2010 ook voor de schenk- en erfbelasting, kan niet gezegd worden dat bij grieven over betrekkelijk kleine waardeverschillen sprake is van querulant gedrag. Bovendien worden jaarlijks heel veel zaken met belangen van minder dan € 50 uitgeprocedeerd waarvoor geen procesdrempel geldt. Wij zijn benieuwd of de Hoge Raad het advies van de heer van Ballegooijen opvolgt en de Fierensdrempel zijn lustrum haalt.

Bron:
Fida 20100609 - Conclusie AG 29-12-2009 0802324


Tipgever zwartspaarders: echte held of sluwe boef


Rechter: Speurwerk naar zwartspaarders gebrekkig

KB Lux-navordering vernietigd wegens onbetrouwbare identificatie

Hof Amsterdam heeft aan vermeende KB Lux'ers (de echtelieden X en Y) opgelegde navorderingsaanslagen IB/VB over 1990-1999 met 100% boeten vernietigd, omdat een niet volgens de standaardmethode verricht onderzoek naar de identiteit volgens het Hof niet betrouwbaar genoeg was. Het Hof stelde vast dat de inspecteur bij het onderzoek naar de houders van de hem bekende bankrekeningnummers alleen belang had gehecht aan een koppeling van de namen van de echtelieden aan het adres en/of de tussen hun bestaande huwelijksrelatie. Zonder nadere toelichting van de inspecteur was volgens het Hof niet onaannemelijk dat meerdere personen met de naam X of Y in Nederland woonden, en was het zeer wel denkbaar dat een andere persoon dan belanghebbende met de naam X en Y de rechthebbende was van de bij de inspecteur bekende bankrekeningnummers. Het lag volgens het Hof op de weg van de inspecteur - die immers over het BVR- en RDW-bestand beschikte - om te verklaren dat slechts één persoon met de naam X en één persoon met de naam Y in die bestanden voorkwam, of waarom hij juist X en zijn echtgenote Y aan de rekeningnummers had gekoppeld, in het geval dat er meer mensen met diezelfde namen in genoemde bestanden voorkwamen. Het Hof vernietigde alle navorderingsaanslagen en boeten.

Bron:
Fida 20100537 - Hof Amsterdam 14 januari 2010 04/03604

Geen navordering omdat KB Luxrekening van vader, zoon of kleinzoon kon zijn

X ontving navorderingsaanslagen IB over 1990 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen VB over 1991 tot en met 2000 met boeten van 100%, omdat hij volgens de Belastingdienst een bankrekening bij de KB Lux in Luxemburg had aangehouden. De naam van X kwam volgens de Belastingdienst voor op een kopie van de microfiches van de KB Lux. X ging in beroep en stelde dat hij niet degene was die op de microfiches stond vermeld. Hof Amsterdam besliste dat het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouders van de KB Lux voldoende betrouwbaar was, maar dat de inspecteur in dit geval daaruit ten onrechte de conclusie had getrokken dat X als enig mogelijke houder van de rekening bij de KB Lux moest worden aangewezen. In het BVR-bestand (Beheer van Relaties) van de Belastingdienst stonden naast X nog twee personen met dezelfde naam, namelijk de zoon en kleinzoon van X. Volgens het Hof kwamen in beginsel alle drie als rechthebbende van de rekening in aanmerking. Het was volgens het Hof niet relevant dat de kleinzoon op 31 januari 1994 pas 13 jaar oud was en dat de onderneming van de zoon van X op die datum met verlies draaide. Nu X expliciet betwistte dat hij houder van die rekening was, was volgens het Hof onvoldoende bewijs aanwezig om aan te nemen dat uitsluitend X als houder van de rekening was aan te merken. Daar deed niet aan af dat X volgens de inspecteur voldeed aan de profielschets van een bankrekeninghouder bij de KB Lux (een oudere persoon die risicomijdend belegde). Het was volgens het Hof niet duidelijk waarom de zoon van X niet ook aan die profielschets zou voldoen. Bovendien kon het voldoen aan een profielschets weliswaar een indicatie zijn dat sprake was van het aanhouden van een rekening, maar ook niet meer dan dat. Het Hof verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslagen en de boeten.

Bron:
Fida 20100375 Hof Amsterdam 21 januari 2010 04/02814


Zwartspaarders zijn nationale zondebokken


De Jager wil Duitse spaarderslijst zien


Het kan nog beter/erger


Fiscale boete AZ van tafel

Geen omkering bewijslast bij pleitbaar standpunt

Betaald-voetbalorganisatie NV X had via haar hoofdsponsor met diverse contractspelers en directieleden beleggingscontracten afgesloten op grond waarvan met geleend geld beleggingsproducten werden aangekocht. De benodigde inleg werd geleend bij een onderdeel dat aan de hoofdsponsor was verbonden. Bij een controle constateerde de inspecteur dat NV X aan de werknemers rendementsgaranties had verstrekt met betrekking tot hun investeringen. De inspecteur stelde dat NV X niet de vereiste aangifte had gedaan en legde met de omkering van de bewijslast een naheffingsaanslag LB op over 1999 en 2000 van bijna € 6,7 mln met een boete van € 907.560. NV X ging in beroep en stelde dat zij wel de vereiste aangifte had gedaan. Zij had in 1999 en 2000 geen loon in aanmerking genomen omdat zij van mening was dat inhouding van loonheffing terzake van de rendementsgaranties niet eerder aan de orde zou komen dan bij het inroepen daarvan. Hof Amsterdam besliste dat het destijds door NV X ingenomen standpunt in ieder geval zodanig pleitbaar was dat in de onderhavige procedure geen plaats was voor het omkeren en verzwaren van de bewijslast. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat in de uitspraak van het Hof besloten lag dat het toenmalige standpunt van NV X in die mate verdedigbaar was, dat zij redelijkerwijs kon menen juist te handelen door in overeenstemming daarmee haar aangiften te doen, en dat NV X toen dus niet wist of zich ervan bewust moest zijn dat zij in die aangiften te weinig loonheffing verantwoordde terzake van de toekenning van de rendementsgaranties. De Hoge Raad was het met het Hof eens dat daaruit volgde dat niet kon worden gezegd dat NV X de vereiste aangiften niet had gedaan. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd.

Bron:
Fida 20094880 - Hoge Raad 30 oktober 2009 43937


Bedrijfsstoel in stadion fisaal gunstig

Verlaagd BTW-tarief voor businesslounge-pakketten voetbalclub

Voetbalclub BV X huurde een stadion en verkocht businessclub-pakketten en loge-pakketten. Een businessclub-pakket omvatte het gebruik van businessstoelen tijdens thuiswedstrijden en gaf recht op een door BV X ingekochte cateringpakket. Ook de gebruikers van het loge-pakket hadden recht op een cateringpakket. BV X stelde dat op de business- en loge-paketten het verlaagde BTW-tarief van 6% gold, omdat haar hoofdprestatie uit het verlenen van toegang tot een voetbalwedstrijd bestond, waarop het 6%-tarief van toepassing was. De inspecteur stelde dat het normale tarief van 19% voor de pakketten gold, omdat de zakelijke belangen voorop stonden waarbij de voetbalwedstrijd een middel was om relaties aan zich te binden. BV X ging in beroep. Rechtbank Haarlem was het met BV X eens dat de toegang tot bepaalde ontvangstruimten, de beschikbaarheid van de catering, de parkeergelegenheid en het lidmaatschap moesten worden aangemerkt als bijkomende prestaties die voor de afnemers van die pakketten geen doel op zich waren, maar middelen om de hoofdprestatie, het bijwonen van de voetbalwedstrijd, zo aangenaam mogelijk te maken. De bijkomende prestaties volgden de hoofdprestatie zodat volgens de Rechtbank zowel de businesspakketten als het logepakket in zijn geheel onder het verlaagde BTW-tarief van 6% viel. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20094833 - Arr.rb. Haarlem 24-04-2009 AWB08 3303


Fiscus mist miljoenen aan drugsgelden

Aan gangsterliefje opgelegde schenkingsaanslagen vernietigd

Mevrouw X woonde sinds 1997 met haar kind in een huis waar zij van oktober 1999 tot oktober 2003 had samengewoond met drugscrimineel Y. Y was van februari 1998 tot februari 2000 gedetineerd. In die periode had hij regelmatig weekendverlof en later was hij thuis onder elektronisch toezicht gesteld. In oktober 2003 verhuisde mevrouw X naar België. Y was intussen in (hoger) beroep en cassatie gegaan tegen de strafbare feiten waarvan hij beschuldigd werd, maar voordat de Hoge Raad arrest had gewezen, werd hij in België geliquideerd. Op de bankrekening van mevrouw X waren in 1999 en 2000 contante stortingen gedaan die de inspecteur had aangemerkt als andere inkomsten uit arbeid voor de inkomstenbelasting (IB). Daarnaast legde de inspecteur aanslagen schenkingsrecht op met een boete van 50%. Hof Den Bosch vernietigde op 8 april 2008 de navorderingsaanslagen IB en Rechtbank Breda (zie FutD 2009-1083) vernietigde op 1 april 2009 de aanslag schenkingsrecht 1999. Volgens de Rechtbank had Y de gelden verstrekt om mevrouw X in staat te stellen de gezamenlijke huishouding overeenkomstig hun plaats in de samenleving te kunnen voeren en was niet gebleken dat Y mevrouw X had willen bevoordelen. Vervolgens legde de inspecteur navorderingsaanslagen schenkingsrecht op over 1990, 1991, 1998, 2001 en 2004. De navorderingsaanslagen over 1990 en 1991 van respectievelijk € 96.510 en € 44.382 hadden betrekking op percelen grond die mevrouw X middels zeggenschap over aandelen in een BV van Y had verkregen. De navordering over 1998 van € 15.602 was opgelegd omdat mevrouw X een Mercedes van Y had verkregen. De navordering over 2001 van € 554.043 had betrekking op een door mevrouw X van Y verkregen woning en de navorderingaanslag over 2004 van € 1.612.515 zag op de verkrijging door mevrouw X van een vordering van Y op een geliquideerde vastgoedhandelaar. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Breda heeft alle navorderingsaanslagen om verschillende redenen vernietigd:

Schenkingen over 1990 en 1991 door verkeerde navorderingsjaren vernietigd
Met betrekking tot de navorderingen over 1990 en 1991 terzake van de verkrijging van percelen grond besliste de Rechtbank dat sprake was geweest van een schenking, omdat haar vermogende partner Y mevrouw X in staat had gesteld vermogen op te bouwen zonder een direct verband met de gezamenlijke huishouding. Volgens de Rechtbank was aannemelijk dat Y had gehandeld uit vrijgevigheid. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslagen over deze jaren echter, omdat mevrouw X had verklaard dat zij de grond midden jaren '90 van Y had gekregen, zodat de schenking redelijkerwijs ook midden jaren '90 had plaatsgevonden. Dit was ook in overeenstemming met de vermelding door mevrouw X in haar aangifte IB 1995. Volgens de Rechtbank was er geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat mevrouw X de grond al in 1990 en 1991 had verkregen. Bovendien vond de Rechtbank van belang dat mevrouw X in 1990 en 1991 nog geen affectieve relatie had met Y en dat zij dat door middel van getuigenbewijs kon aantonen. De Rechtbank overwoog dat het jaar waarin de schenking had plaatsgevonden van wezenlijk belang was voor de heffing van schenkingsrecht, en dat er in deze gevallen geen twijfel mogelijk was dat de aanslagbiljetten onjuiste jaren vermeldden. Dat betekende dat de aanslagen over deze schenkingen moesten worden vernietigd, zodat hierover helemaal geen schenkingsrecht werd geheven. De Rechtbank was het met de inspecteur eens dat dit een onbevredigende uitkomst was, met name omdat onduidelijkheid over het jaar van schenking was ontstaan doordat mevrouw X in het geheel geen informatie had verstrekt. De inspecteur had dit volgens de Rechtbank echter kunnen voorkomen door ter behoud van rechten ook aanslagen schenkingsrecht op te leggen over 1995 of een van de daarop volgende jaren, omdat uit de verklaring van mevrouw X volgde dat de schenking in een van die jaren had plaatsgevonden.

Schenkingsaanslagen over 1998 en 2004 wegens ontbreken nieuw feit vernietigd
In een brief van 28 november 2005 en een brief van 16 januari 2006 had de inspecteur aan mevrouw X meegedeeld dat uit onderzoek was gebleken dat zij tussen 17 juni 1998 en 26 september 2000 een Mercedes op naam van haar stiefmoeder had gezet, maar dat gebleken was dat deze auto eigendom van haarzelf was. De inspecteur was ervan uitgegaan de deze auto was gefinancierd met geld van Y en hij legde op 2 december 2008 een navorderingsaanslag schenkingsrecht over 1998 aan mevrouw X op. Na de liquidatie van Y was mevrouw X ervan op de hoogte gekomen dat Y een vordering had op een geliquideerde vastgoedhandelaar en had zij hierover contact opgenomen met de erven van de vastgoedhandelaar. De inspecteur legde op 2 december 2008 een navorderingsaanslag schenkingsrecht op over 2004 naar een totale verkrijging van € 2.475.508, dit was de hoofdsom van de vordering en bijgeschreven rente. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Breda stelde voorop dat de termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag verliep drie jaren nadat het overlijden van Y ter kennis van de inspecteur was gekomen. Dat was op 26 april 2004 gebeurd, zodat de aanslagtermijn op 25 april 2007 was verlopen. Met betrekking tot de schenking van de Mercedes besliste de Rechtbank dat de inspecteur al in november 2005 wist dat de Mercedes eigendom was van mevrouw X. De inspecteur had dan ook ter behoud van rechten uiterlijk op 25 april 2007 een aanslag kunnen opleggen. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag over 1998 omdat niet aannemelijk was geworden dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag over meer of andere gegevens over de Mercedes beschikte dan hetgeen hij al in november 2005 aan mevrouw X had meegedeeld. Met dezelfde overwegingen ging ook de navorderingsaanslag 2004 van tafel. Volgens de Rechtbank wist de inspecteur al op 28 november 2005 dat mevrouw X een claim had ingediend bij de erven van de vastgoedhandelaar. Volgens de Rechtbank was niet aannemelijk geworden dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag over 2004 over meer of andere gegevens over de vordering beschikte dan de gegevens die hij al in april 2006 aan mevrouw X had toegezonden. De inspecteur had binnen de gewone aanslagtermijn alle tijd gehad om een aanslag schenkingsrecht op te leggen. Ook over 2004 ontbrak het voor navordering vereiste nieuwe feit.

Schenkingsaanslag over 2001 wegens ontbreken verrijking vernietigd
Met betrekking tot de door de inspecteur gestelde schenking in 2001 stelde de Rechtbank voorop dat voor het aannemen van een schenking moest zijn voldaan aan de volgende eisen: verarming van de schenker, verrijking van de begiftigde en een bevoordelingsbedoeling. De Rechtbank besliste vervolgens dat niet was gebleken dat Y in 2001 iets in verband met de aankoop van de woning aan mevrouw X had geschonken en ook niet dat mevrouw X in 2001 op enigerlei wijze was verrijkt. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag omdat geen sprake was geweest van een schenking van (een deel van) de woning.

Rechtbank Breda 31-8-2009, nr. 09/918 (Fida 20094284), nr. 09/919 (Fida 20094285), nr. 09/921 (Fida 20094287), nr. 09/922 (Fida 20094286) en nr. 09/166 (Fida 20094283)

Ons commentaar
Ofschoon de moed van de inspecteur te prijzen is dat hij de vriendin durfde aan te slaan voor verkrijgingen die zij van haar geliquideerde drugsvriend zou hebben ontvangen, volstaan wij bij deze uitspraken van de belastingkamer van Rechtbank Breda met het commentaar dat het een "beetje dom" van de inspecteur is geweest dat hij de zaak procedureel niet beter had geregeld door geen (navorderings)aanslagen ter behoud van rechten op te leggen. Daardoor moesten deze fiscale zaken, net als zoveel strafzaken tegen criminelen, wegens vormfouten worden vernietigd.

Bron:
Fida 20094283 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09166
Fida 20094284 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09918
Fida 20094285 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09919
Fida 20094286 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09922
Fida 20094287 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09921


Topman PWS kocht jacht met fraudegeld

Bestuurder grote woningstichting ook fiscaal de klos door vastgoedzwendel

X was gehuwd met mevrouw Y en had 84% van de aandelen van NV F in handen. De overige aandelen waren in bezit bij zijn vier kinderen. Vanaf eind jaren '80 was X lid van de raad van toezicht van woningstichting K. In 2005 werd tegen X en twee andere functionarissen van K een strafrechtelijk onderzoek ingesteld omdat werd vermoed dat zij zich ten koste van K hadden verrijkt met onroerende zaaktransacties. De inspecteur legde in afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek, ter behoud van rechten een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2000 waarbij hij ruim € 1 mln als andere inkomsten uit arbeid corrigeerde. Uit het FIOD proces-verbaal volgde dat X als voorzitter van de Raad van Toezicht gelden had verkregen uit onroerende zaaktransacties. In totaal had X aan de transacties ruim € 1,1 mln overgehouden op de bankrekening van NV F. Van de rekening van NV F had X in totaal € 724.361 overgeboekt naar zijn privérekening. Daarnaast was van die bankrekening een betaling gedaan van ongeveer € 0,6 mln in verband met de koop van een jacht. X ging in beroep en stelde dat hij, als al sprake was van door hem genoten andere inkomsten uit arbeid, in 2000 in Curaçao woonde en deze inkomsten om die reden niet tot zijn binnenlandse inkomen behoorden. Rechtbank Den Haag besliste dat uit het FIOD-rapport volgde dat X en zijn echtgenote in elk geval vanaf eind 2000 en gedurende de jaren daarna niet duurzaam gescheiden leefden en X in Nederland een sociaal leven had. Daarnaast was uit andere bij de huiszoeking in beslag genomen bescheiden af te leiden dat X samen met zijn echtgenote inkomens- en vermogensbelastingaangifte had gedaan in 2001 in Zwitserland, waar zij ook beschikten over een woning. De Rechtbank besliste dat de woning in Nederland die eigendom was van zijn echtgenote, ook voor X als woonhuis functioneerde zodat X binnenlands belastingplichtig was. De Rechtbank nam gezien het proces-verbaal als vaststaand aan dat de onroerende zaaktransacties hadden plaatsgevonden en dat daarmee voordelen waren behaald ter grootte van de in het proces-verbaal vermelde bedragen. De Rechtbank besliste dat voor het incasseren en het verdelen van de voordelen de bankrekening van NV F was gebruikt maar dat de voordelen feitelijk waren genoten door X. De Rechtbank besliste dat de inspecteur de voordelen terecht had aangemerkt als inkomsten uit andere arbeid en verklaarde het beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20093500 - Arr.rb. Den Haag 27 april 2009 AWB07/390


Kritiek belastingexperts gebruik fiscale dwangsom

Trustkantoor moest na kort geding meewerken aan controle

Tradman BV was een trustkantoor. Van 1994 tot eind 2006 was A cliënt geweest van Tradman BV voor het beheer en bestuur van de Muvabi groep waarvan hij aandeelhouder was. Vanaf eind 2004 ging een groot aantal vennootschappen uit de Muvabi Groep failliet. De FIOD-ECD onderwierp A en de Muvabi Groep aan een onderzoek en verstrekte de opgespoorde gegevens aan de inspecteur. De inspecteur stelde in maart 2008 een derdenonderzoek in bij Tradman BV, omdat hij vermoedde dat meer gegevens over A en aan hem gerelateerde rechtspersonen in de administratie van Tradman BV aanwezig waren. Toen de advocaat van Tradman BV pas bleek te willen meewerken als de inspecteur exact aangaf van welke cliënten hij nader inzage wilde in de door Tradman BV gehouden administratie, spande de inspecteur een kort geding aan tegen Tradman BV. De inspecteur verzocht de voorzieningenrechter Tradman BV te veroordelen tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan een onderzoek naar haar administratie.

De voorzieningenrechter stelde voorop dat in een kort geding niet kon worden beoordeeld of de opvatting van de inspecteur juist was dat hij inzage had in de volledige administratie, zonder concretisering waarnaar hij nader onderzoek wilde plegen. Vervolgens besliste de voorzieningenrechter dat het feit dat in de door Tradman BV overgedragen gegevens op de USB-stick andere bestanden waren aangetroffen die niet eerder aan de inspecteur waren overgedragen, het vermoeden rechtvaardigde dat zich op de computer van Tradman BV gegevens bevonden die van belang konden zijn voor de belastingheffing van A of aan hem gerelateerde rechtspersonen. De voorzieningenrechter wees de vordering van de inspecteur daarom toe. De inspecteur had volgens de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij zijn vordering in verband met de uiterlijke verjaringstermijn van twaalf jaar om in ieder geval over het grootste deel van de periode dat Tradman BV de administratie had gevoerd, te kunnen controleren op eventuele niet-opgegeven inkomsten of gelden van A of aan hem gerelateerde rechtspersonen. Tradman BV moest binnen tien dagen onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag volledige en onvoorwaardelijke medewerking verlenen aan het onderzoek van de inspecteur.

Rechtbank Amsterdam 8-5-2009, nr. 417661 (Fida 20093424)

Ons commentaar
De Hoge Raad besliste op 27 februari 2004 (zie FutD 2004-0469) dat de Belastingdienst de aan hem in de artikelen 47 tot en met 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toegekende bevoegdheden via een civiel kort geding kan afdwingen. Hiermee werd de uitspraak van voorzieningenrechter van Hof Den Bosch bevestigd (zie FutD 2006-0827 met ons commentaar) waarin was uitgemaakt dat een tuindersbedrijf afschriften van de e-mailberichten op haar computer aan de inspecteur moest verstrekken onder verbeurte van een dwangsom. In de KB Lux- en Van Lanschotzaken besliste de voorzieningenrechter van Hof Amsterdam dat de Belastingdienst middels een civiel kort geding onder verbeurte van een dwangsom informatie mag vorderen (zie FutD 2007-2332 met ons commentaar). Ditzelfde had de voorzieningenrechter van Rechtbank Middelburg kort daarvoor in een soortgelijke zaak beslist (zie FutD 2007-2198 met ons commentaar). Deze zaken en de bovenstaande voorlopige voorziening waarin de Belastingdienst met succes gedaan kreeg dat een trustkantoor moest meewerken aan een controle, tonen aan dat de rechters een andere mening zijn toegedaan dan de redactie van Fiscaal up to Date. Wij vinden (zie onze commentaren in FutD 2007-2198 en FutD 2007-2332) dat het inzetten van een civielrechtelijk kort geding door de Belastingdienst wegens het niet-nakomen van de informatieverplichting buitenproportioneel is, omdat een bestuursorgaan als de Belastingdienst binnen het bestuursrecht over uitgebreide bevoegdheden en middelen beschikt om de nakoming van fiscale verplichtingen af te dwingen. Het burgerlijke proces komt naar onze mening pas aan de orde als alle andere middelen zijn uitgeput, terwijl bovendien van een voor een kort geding vereiste spoedeisendheid in veel gevallen geen sprake is. Wij zijn benieuwd of deze voor de Belastingdienst positieve ervaringen met het civiele kort geding voor de staatssecretaris reden zijn om definitief af te zien van zijn aanvankelijke plannen tot invoering van een bestuurlijke fiscale dwangsom (zie FutD 2004-0768). Deze plannen trok hij in omdat de Tweede Kamer weerstand bood (zie FutD 2004-1932), maar de bewindsman beloofde eerst meer ervaring op te doen met het vorderen van een last onder dwangsom in het civiele traject ter naleving van de fiscale administratie- en informatieverplichtingen.

Bron:
Fida 20093424 - Arr.rb. Amsterdam 8 mei 2009 417661/KGZA09-106


Trustkantoor met billen bloot

Trustkantoor via kort geding gedwongen tot medewerking aan controle

Tradman BV was een trustkantoor. Van 1994 tot eind 2006 was A cliënt geweest van Tradman BV voor het administratieve beheer en bestuur van de Muvabi groep waarvan hij aandeelhouder was. Vanaf eind 2004 ging een groot aantal vennootschappen uit de Muvabi Groep failliet. De FIOD-ECD onderwierp A en de Muvabi Groep aan een onderzoek en verstrekte de opgespoorde gegevens aan de inspecteur. De inspecteur stelde in maart 2008 een derdenonderzoek in bij Tradman BV, omdat hij vermoedde dat meer gegevens over A en aan hem gerelateerde rechtspersonen in de administratie van Tradman BV aanwezig waren. Toen de advocaat van Tradman BV pas bleek te willen meewerken als de inspecteur exact aangaf van welke cliënten hij nader inzage wilde in de door Tradman BV gehouden administratie, spande de inspecteur een kort geding aan tegen Tradman BV. De voorzieningenrechter besliste dat het feit dat in de door Tradman BV overgedragen gegevens op de USB-stick andere bestanden waren aangetroffen die niet eerder aan de inspecteur waren overgedragen, het vermoeden rechtvaardigde dat zich op de computer van Tradman BV gegevens bevonden die van belang konden zijn voor de belastingheffing van A of aan hem gerelateerde rechtspersonen. De voorzieningenrechter wees de vordering van de inspecteur daarom toe. De inspecteur had volgens de voorzieningenrechter ook een spoedeisend belang bij zijn vordering in verband met de uiterlijke verjaringstermijn van twaalf jaar. Tradman BV moest binnen tien dagen na dit vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag volledige en onvoorwaardelijke medewerking verlenen aan het onderzoek van de inspecteur.

Bron:
Fida 20093424 - Arr.rb. Amsterdam 8 mei 2009 417661/KGZA09-106


Spoedwet tegen afkoop lijfrente

Reparatiewetsvoorstel emigratieheffing pensioen en lijfrente ingediend

De Hoge Raad besliste op 19 juni 2009 dat het bij emigratie opleggen van conserverende aanslagen terzake van een pensioenaanspraken en lijfrenten in strijd was met belastingverdragen en met de goede verdragstrouw. Nog diezelfde dag kondigde de staatssecretaris een wetsvoorstel aan waarin hij maatregelen zou opnemen om de heffing over beide inkomensbestanddelen zeker te stellen. De staatssecretaris heeft het wetsvoorstel tot wijziging van enkele belastingwetten (Reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken) op 29 juni 2009 bij de Tweede Kamer ingediend. De Wet IB 2001 wordt zodanig aangepast dat in situaties waarin een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is die dateert uit de periode vóór de invoering van het regime van de conserverende aanslag per 1 januari 2001 en welke voorziet in een exclusieve woonstaatheffing terzake van (niet-periodieke) pensioen- en/of lijfrente-inkomsten, toch heffing kan plaatsvinden bij belastingplichtigen die in Nederland een belastingfaciliteit hebben gehad voor de premies voor pensioen of een lijfrente. De heffing vindt plaats naar de bedragen waarvoor bij de verwerving van de pensioen- of lijfrenteaanspraak een belastingvoordeel is genoten. Het betreffende bedrag wordt in situaties waarin de lijfrente- of pensioenuitkeringen zijn ingegaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op dat moment lager is, echter niet tot een hoger bedrag in aanmerking genomen dan de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op dat moment. Het wetsvoorstel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met het tijdstip van indiening bij de Tweede Kamer, 29 juni 2009, om 12.00 uur.

Bron:
Fida 20092733 - Min. v. Fin. 26 juni 2009 DB/2009/352


Stormloop verwacht op afkopen lijfrentepolis

Fiscus behaalt nederlaag in strijd tegen pensioenvlucht

De Belastingdienst mag aan emigranten geen conserverende aanslag meer opleggen over in Nederland opgebouwde pensioenaanspraken. Dit heeft de Hoge Raad op 19 juni 2009 beslist in een drietal arresten naar aanleiding van drie uitspraken van Hof Den Bosch waartegen de staatssecretaris in cassatie was gegaan. Hof Den Bosch had beslist dat het opleggen van een conserverende aanslag terzake van een pensioenaanspraak in strijd was met belastingverdragen en met de goede verdragstrouw. In cassatie had de staatssecretaris gesteld dat daar geen sprake van was, omdat de nieuwe woonlanden waarnaar de belastingplichtigen waren geëmigreerd het heffingrecht over de toekomstige pensioenuitkeringen of afkoopsommen daarvan hadden en de Nederlandse conserverende aanslag daar niets aan veranderde. In de arresten waarnaar de belastingadviespraktijk reikhalzend uitkeek, heeft de Hoge Raad de staatssecretaris in het ongelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad is de fictie op grond waarvan de waarde van de opgebouwde pensioenrechten bij emigratie als loon in de Nederlandse heffing wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de emigratie, in strijd met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van een belastingverdrag in acht moet worden genomen. De zaken betroffen die van drie belastingplichtigen die in 2001 naar respectievelijk Frankrijk, Korea en de Filippijnen waren geëmigreerd. De inspecteur had conserverende aanslagen opgelegd naar de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie bij in Nederland gevestigde pensioenfondsen opgebouwde pensioenaanspraken die als loon in aanmerking waren genomen op grond van artikel 3.83, lid 1, juncto artikel 3.146, lid 3, Wet IB 2001. De Hoge Raad concludeerde dat artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001 wegens strijd met de aan de orde zijnde belastingverdragen buiten toepassing moest blijven.

Bronnen:
Fida 20092586 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 44050
Fida 20092584 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 43978
Fida 20092587 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 07/13267
Fida 20092589 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 08/02288


Rechter geeft moskee belastingvoordeeltje

Turkse winkel vrij van Vpb door fictieve loonkostenaftrek

Stichting X was een religieuze organisatie die een moskee onderhield en in een aangrenzende aparte ruimte een kleine kruidenierswinkel in Turkse specerijen en specialiteiten exploiteerde. De opbrengsten van de winkel werden gebruikt voor het onderhoud van de moskee. Na sluitingstijd konden de bezoekers van de moskee wat te eten en te drinken halen en het geld hiervoor in de kassa leggen. Alle aan- en verkopen werden contant gedaan. In de winkel werkten alleen vrijwilligers die elkaar tijdens de openingstijden afwisselden. De vrijwilligers ontvingen voor hun werk geen enkele vergoeding van X. X stelde dat zij recht had op toepassing van de fictieve loonkostenaftrek van artikel 9, lid 1, j, Wet Vpb. Rechtbank Breda was het daarmee eens. De Rechtbank vond de door X op € 15.000 berekende omvang van de fictieve loonkostenaftrek niet onredelijk, omdat gedurende de openingstijden in elk geval één vrijwilliger in de winkel werkzaam was en het voltijds-minimumloon in 2004 € 16.391,81 bedroeg. Vervolgens besliste de Rechtbank dat X recht had op de subjectieve Vpb-vrijstelling ingevolge artikel 6 Wet Vpb, omdat bij X een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond stond en zij geen winststreven had. Op grond van artikel 1 van het Vrijstellingsbesluit Vpb was een in artikel 6, sub a, Wet Vpb omschreven lichaam van Vpb vrijgesteld als de behaalde winst niet meer bedroeg dan € 7.500 per jaar. De inspecteur had de aanslag van X vastgesteld op een belastbaar bedrag van € 17.466. Na aftrek van de fictieve loonkostenaftrek van € 15.000 resteerde de behaalde winst van € 2.466. Dit was lager dan € 7.500, zodat X kon worden aangemerkt als een van Vpb vrijgesteld lichaam.

Bron:
Fida 20092439 - Rechtbank Breda 6-5-2009 AWB08/3980


Schenking crimineel onbelast

Stortingen op rekening van vriendin drugscrimineel waren geen schenkingen

De ongehuwde mevrouw X woonde met haar kind sinds 1997 op het adres waar zij volgens het bevolkingsregister van oktober 1999 tot oktober 2003 had samengewoond met drugscrimineel Y. Y was van februari 1998 tot februari 2000 gedetineerd. In die periode had hij regelmatig weekendverlof en later was hij thuis onder elektronisch toezicht. In oktober 2003 verhuisde X naar België. In september 1999 bleek uit een strafrechtelijk onderzoek dat Y leiding gaf aan een criminele organisatie. Y ging in (hoger) beroep en cassatie, maar voordat de Hoge Raad arrest had gewezen, werd hij in België geliquideerd. Op de bankrekening van X waren in 1999 en 2000 contante stortingen gedaan van € 37.113 in 1999 en € 87.126 in 2000. De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB op over 1999 en 2000 waarbij hij de gestorte bedragen aanmerkte als andere inkomsten uit arbeid. Daarnaast legde de inspecteur aanslagen schenkingsrecht op met een boete van 50%. Hof Den Bosch vernietigde de navorderingsaanslagen. X ging in beroep tegen de aanslag schenkingsrecht 1999. Rechtbank Breda besliste dat Y het grootste deel van de tijd in 1999 en 2000 was gedetineerd. Daarvoor en daarna voerden X en Y, voorzover mogelijk, een gezamenlijke huishouding. De Rechtbank geloofde X erin dat Y de op de rekening gestorte bedragen had verstrekt voor de bekostiging van de huishouding. De Rechtbank vond uitgaven op jaarbasis van € 37.113 niet abnormaal hoog, gezien de luxueuze levensstijl, gezien het milieu waarin X en Y verkeerden en gezien de bedragen die daarin omgingen (het wederrechtelijk verkregen voordeel van Y was berekend op ruim € 1,2 mln). Volgens de Rechtbank had Y de gelden verstrekt om X in staat te stellen om de gezamenlijke huishouding overeenkomstig hun plaats in de samenleving te kunnen voeren. Uit niets bleek volgens de Rechtbank dat Y met die gelden X had willen bevoordelen. Daarbij was het volgens de Rechtbank niet van belang dat de gelden wellicht afkomstig waren uit een misdrijf. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20092200 - Rechtbank Breda 1-4-2009, nr. 07/2562


Fiscus moet geheime deals met multinationals tonen

Fiscaal up to Date wint WOB-proces handhavingsconvenanten

In 2005 startte de Belastingdienst een pilot met betrekking tot het zogenoemd horizontaal toezicht. De pilot betrof twintig grote bedrijven (multinationals) en met nagenoeg al deze ondernemingen werd een individueel handhavingsconvenant afgesloten. In het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verzocht Fiscaal up to Date de staatssecretaris de documenten ter beschikking te stellen waarin deze handhavingsconvenanten waren opgenomen (zie FutD 2007-0782 met ons commentaar). Het verzoek werd afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar trof hetzelfde lot (zie FutD 2007-2331 met ons commentaar). De staatssecretaris verwees naar een aan de Eerste Kamer toegezonden geanonimiseerde versie van een handhavingsconvenant (zie FutD 2006-1075) en stelde dat uit deze anonieme versie duidelijk bleek wat voor soort handhavingsconvenant met de Belastingdienst kan worden afgesloten. Fiscaal up to Date liet het er niet bij zitten en ging in beroep bij de bestuursrechter van Rechtbank Den Bosch.

Rechtbank Den Bosch stelde voorop dat de staatssecretaris in beginsel was gebonden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), maar dat bekeken moest worden of hiervan op grond van artikel 67, lid 2, van de AWR ontheffing verleend zou kunnen worden. Bij de beoordeling hiervan moesten volgens de Rechtbank de maatstaven uit de WOB worden gehanteerd. Vervolgens besliste de Rechtbank, na met toepassing van artikel 8:29, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht kennis te hebben genomen van een viertal convenanten, dat deze - overwegend uniform geformuleerde - uitgangspunten bevatten over de wijze en intensiteit van het toezicht waarbij tevens het verleden werd betrokken. Volgens de Rechtbank was ook geen sprake van verbijzondering in het individuele geval, zodat er volgens de Rechtbank geen reden was van openbaarmaking af te zien in verband met een door de staatssecretaris gesteld zwaarwegend financieel belang. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de staatssecretaris niet duidelijk had gemaakt wat hij bedoelde met de stelling dat openbaarmaking moest worden geweigerd omdat dit tot een onevenredige bevoordeling of benadeling zou leiden van de partij waarmee het convenant was gesloten. Dit klemde volgens de Rechtbank te meer omdat, anders dan de staatssecretaris had gesteld, in geen enkel convenant een concreet handhavingsrisico werd benoemd. De Rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris de convenanten in geanonimiseerde vorm openbaar moest maken. De Rechtbank verwierp de stelling van de staatssecretaris dat hij hiertoe geen vergaringsplicht had; volgens de Rechtbank zou het verzamelen van de twintig door Fiscaal up to Date opgevraagde convenanten geen aanleiding geven tot een bijzonder of inspannend onderzoek. De Rechtbank verklaarde het beroep van Fiscaal up to Date gegrond en besliste dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank.

Rechtbank Den Bosch 28-4-2009, nr. 08/280 (Fida 20091898)

Ons commentaar
De aanvankelijke weerstand en scepsis tegen horizontaal toezicht is na de pilot met 20 zeer grote ondernemingen als sneeuw voor de zon verdwenen. Dat was op zich wel te verwachten want de relatie tussen de Belastingdienst en de zeer grote ondernemingen was altijd al gebaseerd op openheid en redelijkheid en de Belastingdienst is bij deze ondernemingen altijd al eerder dan bij andere belastingplichtigen geneigd geweest een oogje dicht te knijpen. De op horizontaal toezicht gebaseerde (individuele) handhavingsconvenanten genieten momentaal dan ook warme belangstelling van belastingplichtigen, de Belastingdienst en belastingadviseurs. De (grote en zeer grote) ondernemer is verheugd omdat hij van controles en lange vragenlijsten van de inspecteur af is, de Belastingdienst ziet het gat van het gebrek aan menskracht gevuld met de veronderstelde zelfreinigende werking die van het horizontale toezicht moet uitgaan en de belastingadviseur ziet een stuk broodwinning aan hem voorbij gaan, maar wordt over de streep getrokken met een sectorconvenant of de belofte dat bij de klant fiscaal oud zeer wordt opgeruimd.

Ofschoon wij willen aannemen dat horizontaal toezicht tot een efficiëntere uitvoering van de belastingwetten bij (vooral) de (zeer) grote ondernemingen kan leiden, willen wij, als "vierde macht", toch kritische kanttekeningen maken bij het gejuich en applaus. Deze betreffen niet alleen het ontbreken van een voor ieder kenbare definitie van het begrip horizontaal toezicht c.q. handhavingsconvenant en het ontbreken van voor ieder kenbare criteria met betrekking tot het aangaan en beëindigen ervan, maar ook en vooral het besloten karakter, waardoor controle op het overheidshandelen onmogelijk wordt. Openbaarmaking is noodzakelijk zodat iedere belastingplichtige - burger of bedrijf -, de politiek en de media kunnen toetsen of de fiscale behandeling plaatsvindt binnen bestaande wet- en regelgeving, waardoor gelijke gevallen niet ongelijk worden behandeld. Wij zijn dan ook verheugd en trots dat ook de bestuursrechter van Rechtbank Den Bosch tot de slotsom is gekomen dat transparantie op dit punt geboden is en dat de gevraagde handhavingsconvenanten daarom in geanonimiseerde vorm openbaar moeten worden gemaakt.

Rechterlijke procedures duren lang. Dat geldt helaas ook voor WOB-procedures. Een van de grote nadelen daarvan is dat kennis en inzicht in de loop van de deze lange tijd veranderen. Ons inzicht over de noodzaak en verplichting tot openbaarmaking van (ook) de individuele handhavingsconvenanten is in de afgelopen vier jaar echter niet veranderd. Wat wel is veranderd, is ons inzicht over de omvang van het gevraagde. Wij hebben ons verzoek beperkt tot de eerste twintig tussen de Belastingdienst en multinationals gesloten convenanten. Inmiddels zijn er veel meer individuele convenanten gesloten, en het doel van de Belastingdienst is om met alle 1.500 grootste bedrijven van Nederland handhavingsconvenanten sluiten. De uitspraak van de bestuursrechter biedt wat dit betreft perspectieven voor de openbaarmaking van deze convenanten. De staatssecretaris kan zich wat dit betreft niet zonder meer verschuilen achter het ontbreken van een vergaringsplicht, aldus de Rechtbank. Dit dossier is dan ook nog niet gesloten. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

Bron:
Fida 20091898 - Rechtbank Den Bosch 28-4-2009, nr. 08/280


Aankopen van rijksmonument stuk goedkoper

Verkrijging monument door natuurlijk persoon vrij van overdrachtsbelasting

X verkreeg in 2005 een (rijks)monumentenpand. Hij claimde op grond van het gelijkheidsbeginsel de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, p, WBR voor monumentenrechtspersonen. Volgens Rechtbank Den Haag was deze vrijstelling welbewust beperkt tot verkrijgingen door rechtspersonen die zich hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel stelden. Verkrijgingen door natuurlijke personen waren uitgezonderd, omdat de wetgever bij die verkrijgingen het kennelijk niet voldoende gewaarborgd vond dat de vrijstelling ten goede zou komen aan de instandhouding van het betreffende monument. X ging in hoger beroep en herhaalde dat sprake was van discriminatie omdat de vrijstelling gold ter bevordering van het instandhouden van monumenten, en dat daarbij niet van belang was of het monument in stand werd gehouden door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon. Hof Den Haag was het met X eens dat de beperking van de vrijstelling tot verkrijgingen door rechtspersonen tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling leidde. Volgens het Hof was niet duidelijk waarom bij rechtspersonen meer zekerheid zou bestaan met betrekking tot het oogmerk het monumentenpand in stand te houden dan bij natuurlijke personen. Het Hof besloot zelf in het rechtskort te voorzien, verklaarde het hoger beroep van X gegrond en verklaarde de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing op zijn verkrijging van het monumentenpand.

Bron:
Fida 20091935 - Hof Den Haag 1 mei 2009 BK-07/00421


Senator Russell is schuldig aan kunstsmokkel

Met kunstwerk betreden van groene kanaal was smokkel

X kwam op 16 juni 2003 per vliegtuig vanuit Zwitserland als vliegtuigpassagier aan op Schiphol. In zijn handbagage zat een waardevolle pentekening die X had gekocht in de VS. In de aankomsthal liep X door het groene kanaal. Direct na het betreden van het groene kanaal en voordat hij de uitgang van de hal had bereikt, werd hij aangesproken door een douaneambtenaar met de vraag of hij iets had aan te geven. X beantwoordde de vraag ontkennend. De douaneambtenaar doorzocht de bagage van X en trof het kunstwerk aan. De Zwitserse douaneautoriteiten hadden tevoren de Nederlandse douaneautoriteiten erover geïnformeerd dat X zich op 16 juni 2003 voor de betreffende vlucht had ingecheckt met een pentekening in zijn bagage, die voor definitieve uitvoer uit Zwitserland was aangegeven. De Douanekamer van Hof Amsterdam was het met de inspecteur eens dat X BTW was verschuldigd wegens het onregelmatig binnenbrengen c.q. smokkel van goederen. X ging in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd. Voor goederen die in de bagage van een reiziger van buiten het grondgebied van de EU binnenkwamen, moest een douaneaangifte worden gedaan. Voor goederen die voldeden aan de in de artikelen 230 en 232 van de Uitvoeringsverordening CDW vermelde voorwaarden kon deze aangifte op de luchthaven Schiphol geschieden door het gebruik van het zogenoemde groen kanaal "niets aan te geven". Andere in de bagage meegevoerde goederen konden volgens de Hoge Raad niet op deze wijze worden aangegeven. Daarvoor moest een mondelinge of een schriftelijke aangifte worden gedaan. Als geen aangifte was gedaan, was sprake van invoer van deze goederen op het tijdstip waarop het groene kanaal werd betreden, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de reiziger het bord met de aanduiding "niets aan te geven" of de kenbare, ter plaatse daartoe aangebrachte scheidslijn passeerde.

Bron:
Fida 20091615 - Hoge Raad 10 april 2009 07/10432


Monument fiscaal aantrekkelijk

Onderhoudskosten Belgisch monumentenkasteel in Nederland aftrekbaar

Nederlander X was in december 2004 verhuisd naar een kasteel in België, waarvan hij eigenaar was. Het kasteel en de omgeving waren wettelijk beschermd als monument respectievelijk dorpsgezicht voor de Vlaamse Gemeenschap. X genoot in Nederland inkomsten uit tegenwoordige arbeid en had voor 2004 geopteerd voor binnenlandse belastingplicht. X trok in zijn aangifte IB de onderhoudskosten van het kasteel af als persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor een monumentenpand. De inspecteur accepteerde de uitgaven niet omdat het kasteel niet was ingeschreven in het monumentenregister. X ging in beroep en stelde dat de beperking van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden tot monumenten die waren ingeschreven in de Nederlandse registers in strijd was met de artikelen 39,43 of 56 EG-verdrag. Rechtbank Breda besliste dat geen sprake was van een belemmering van het vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging. De Rechtbank was het echter wel met X eens dat sprake was van een belemmering van het vrije kapitaalverkeer. De Rechtbank besliste vervolgens dat de Belgische wetgeving op het gebied van de IB een soortgelijke regeling kende voor de aftrek van onderhouds- en reparatiekosten. De regeling van beschermde monumenten zoals neergelegd in het decreet kwam in hoofdlijnen overeen met de bepalingen in de Monumentenwet. Uit de beschrijving van het kasteel en de bepalingen van het decreet leidde de Rechtbank af dat het aannemelijk was dat het kasteel, als dit in Nederland zou zijn gelegen, in een register zoals bedoeld in de Monumentenwet kon worden ingeschreven. Dat inschrijving van het kasteel in een Nederlands register niet mogelijk was, omdat die registers alleen openstonden voor in Nederland gelegen monumenten, kon volgens de Rechtbank niet aan X worden tegengeworpen. De Rechtbank besliste dat het verschil in behandeling van monumenten die wel en monumenten die niet in de Nederlandse registers waren ingeschreven, geen betrekking had op situaties die niet objectief vergelijkbaar waren. In zoverre bestond er dus geen objectieve rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling. De Rechtbank besliste dat de kosten in aftrek moesten worden toegelaten en verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20091517 - Arr.rb. Breda 26 februari 2009 AWB07/3006


Fiscus hoeft niet in Ferrari te rijden

Staat had geen zorgplicht ten aanzien van in beslag genomen Ferrari

De inspecteur legde begin 2001 voor € 300.000 aan aanslagen op aan mevrouw X, haar echtgenoot Y en hun onderneming. Op 22 maart 2001 werd voor bijna € 400.000 conservatoir beslag gelegd op een pand van Y en conservatoir derdenbeslag op een aantal roerende zaken, waaronder een Ferrari F 40. Na het overlijden van Y, bereikte mevrouw X in mei 2006 een compromis waarbij het totaalbedrag van de opgelegde aanslagen werd verlaagd tot € 120.000. In maart 2007 werd het beslag op de Ferrari opgeheven. In juni 2007 stelde mevrouw X de Belastingdienst aansprakelijk en vorderde een schadevergoeding van bijna € 150.000 wegens een onrechtmatige daad. De civiele kamer van Rechtbank Den Haag verwierp de stelling van mevrouw X dat de Staat onrechtmatig had gehandeld bij de uitvoering van het beslag omdat door het lange stilstaan schade aan de Ferrari was ontstaan. De zorgplicht van de Staat als bewaarder van in beslag genomen auto's strekte volgens de Rechtbank niet zo ver dat de Staat regelmatig de voertuigen moest laten rijden of de motor moest laten draaien zodat die in optimale staat bleef. De Staat had niet onrechtmatig gehandeld en was niet toerekenbaar tekort geschoten in een op haar rustende zorgplicht. De Rechtbank wees de vordering af.

Bron:
Fida 20091457 - Arr.rb. Den Haag 11 februari 2009 297810/HAZA07-3376


Woz lager dankzij foto's

Deplorabele staat van garage en tuinmuurtjes drukten WOZ-waarde fors

De gemeente Borsele had de vrijstaande woning van X per 1 januari 2005 vastgesteld op € 320.000. X ging in beroep en bepleitte een waarde van maximaal € 243.000. Hof Den Haag besliste dat de door de gemeente aangedragen verkoopprijzen van de referentieobjecten de waarde van de woning van X onvoldoende onderbouwden. Verder had de gemeente volgens het Hof onvoldoende rekening gehouden met uit de door X overgelegde foto's blijkende onderhoudsgebreken van de garage en de deplorabele toestand van de (af)scheidingsmuurtjes rondom de tuin. Anderzijds had X de door hem bepleite waarde ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hij had geen taxatierapport overgelegd en had slechts verwezen naar de WOZ-waarde zoals die voor het vorige waarderingstijdvak was vastgesteld en daar 10% bij opgeteld. De WOZ-waarde van het vorige tijdvak met als waardepeildatum 1 januari 2003 kon niet als uitgangspunt gelden, omdat de waarde voor elk tijdvak aan de hand van marktgegevens rond de waardepeildatum moest worden bepaald. Het Hof stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 280.000.

Bron:
Fida 20091232 - Hof Den Haag 13 januari 2009 BK-08/00066


Forse nota fiscus voor dga

Incidenteel dividend mocht in volgend jaar niet tot voorlopige aanslag leiden

X ontving in 2007 EUR 150.000 dividend van BV Y waarvan hij alle aandelen hield. X had terzake van dat dividend om een voorlopige aanslag (VA) IB verzocht. Dat leidde tot een VA over 2007, maar in januari 2008 ook tot een VA over 2008. X ging tegen de VA over 2008 in bezwaar omdat het dividend in 2007 incidenteel was geweest. Aan het bezwaar werd door de inspecteur tegemoet gekomen, maar de inspecteur kwam niet tegemoet aan het verzoek van X om een proceskostenvergoeding. X ging in beroep. Rechtbank Breda besliste dat uit artikel 23 Uitvoeringsregeling AWR volgde dat de inspecteur bij het opleggen van een VA over een zekere marge beschikte. De Rechtbank vond dat de inspecteur die marge in het geval van X had overschreden omdat uit het dividendverleden van BV Y bleek dat het uitkeren van dividend en het genieten van dat dividend door X, niet gebruikelijk was en dat X in 2007 een incidentele bate had genoten. De Rechtbank hechtte daarbij waarde aan de eenmalige, uitsluitend voor het jaar 2007 geldende verlaging van het tarief als bedoeld in artikel 2.12 Wet IB 2001. De Rechtbank besliste dat de inspecteur, door zich bij het opleggen van de VA over 2008 uitsluitend te baseren op de VA 2007, niet zorgvuldig had gehandeld. De Rechtbank kende X een vergoeding van EUR 80,50 toe voor het bezwaarschrift en EUR 322 voor de beroepsprocedure.

Bron:
Fida 20090617 - Arr.rb. Breda 22 januari 2009 08/3278


Fraudeur wil baan bij fiscus terug

Strafontslag belastingambtenaar wegens begunstiging bij inning van familielid

Bij een strafrechtelijk onderzoek naar een bedrijf dat vermoedelijk valse facturen gebruikte, werd de laptop in beslag genomen van de enige aandeelhouder mevrouw A. Daarop werd e-mailcorrespondentie aangetroffen tussen mevrouw A en haar familielid X. X werkte bij de Belastingdienst op de afdeling invordering. Uit een disciplinair onderzoek bleek dat X in strijd met het beleid van de Belastingdienst posten van een familielid had behandeld en zowel mevrouw A als haar bedrijf had bevoordeeld door teruggaven niet te verrekenen met openstaande aanslagen. Verder zou hij voor mevrouw A en haar bedrijf fiscale werkzaamheden tegen betaling hebben verricht. In augustus 2006 werd X wegens zeer ernstig plichtsverzuim ontslagen. Rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van X tegen zijn ontslag ongegrond, waarna X in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep besliste dat X in strijd met de regels en voorschriften en ondanks dat hij daarop door zijn collega's was aangesproken, het beheer was blijven voeren over de fiscale aangelegenheden van mevrouw A en haar bedrijf. X had volgens de Centrale Raad niet in goed vertrouwen of uit naïviteit gehandeld. Controle op verrekenmogelijkheden behoorde namelijk tot de kerntaken van de invorderaar. De Staat was door die uitbetalingen benadeeld, omdat de vorderingen nadien oninbaar waren gebleken. Het plichtsverzuim van X raakte volgens de Centrale Raad de kern van zijn functioneren als belastingambtenaar en moest als zeer ernstig worden gekwalificeerd. X was zich volgens de Centrale Raad er ook van bewust dat hij de grenzen van het toelaatbare overschreed en dat hij mevrouw A in strijd met zijn verplichtingen had bevoordeeld.

Bron:
Fida 20091114 - CRvB 19 februari 2009 07/4146


Afscheidsborrel als aftrekpost

Kosten van afscheidsborrel oud-belastingmedewerker waren aftrekbaar

X werkte tot 1 juni 2003 bij de Belastingdienst. Daarna startte X met ene D een maatschap en ging werken als belastingkundige. Eind 2003 had X twee opdrachtgevers waaronder F, een belastingadvieskantoor. In 2004 had X naast F nog twee andere opdrachtgevers. In 2003 werkte X voor het overgrote deel voor F. F had een aansprakelijkheidsverzekering, maar X had die niet. X en D ontvingen van F jaarlijks minimaal € 160.000 waarbij zij ieder 600 uren moesten maken. Voor het meerdere ontvingen zij een uurvergoeding en daarnaast een maandelijkse kostenvergoeding voor onder meer vakliteratuur, telefoon en IT. Op basis van vooroverleg met de Belastingdienst hield F loonheffing in op de werkzaamheden van X. In april 2003 hield X een borrel voor 250 mensen. Daarbij waren voornamelijk mensen van de Belastingdienst, het Ministerie van Financiën, de rechterlijke macht, F en de overige advieswereld aanwezig. De borrel was georganiseerd door oud-collega's van X bij de Belastingdienst. De Belastingdienst droeg € 500 bij in de kosten. De overige kosten bracht X voor 90% in mindering op de winst uit onderneming. De inspecteur accepteerde dit niet omdat hij vond dat geen sprake was van winst uit onderneming. X ging in beroep. Rechtbank Haarlem besliste dat was voldaan aan het vereiste van zelfstandigheid van X ten opzichte van F omdat X niet deelnam aan de gebruikelijke pensioen-, ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daarnaast vond de Rechtbank het aannemelijk dat X zich richting F niet wilde binden en dat daarom was gekozen voor de positie van extern adviseur. De Rechtbank vond het ook niet aannemelijk dat F bevoegd was X inhoudelijke instructies en aanwijzingen te geven en vond dat een gezagsrelatie tussen X en F niet aanwezig was. Dat X zich naar klanten van F niet bekendmaakte als zelfstandige en geen melding maakte van een eigen kantooradres vond de Rechtbank daarbij niet van belang omdat het volgens de Rechtbank aannemelijk was dat X zich naar F en de overige opdrachtgevers presenteerde als zelfstandige. De Rechtbank besliste dat de kosten van de borrel aftrekbaar waren. Volgens de Rechtbank was de borrel bedoeld om naamsbekendheid te krijgen en zodoende opdrachten binnen te halen. Hierbij nam de Rechtbank in aanmerking dat niet alleen belastingambtenaren, maar ook belastingadviseurs, wetenschappers, leden van de rechterlijke macht en medewerkers van het Ministerie van Financiën waren uitgenodigd. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20090614 - Arr.rb. Haarlem 30 januari 2009 AWB08/3992


Ondernemer mag bruilof als bedrijfsfeest aftrekken

Kosten van huwelijk van toekomstige nieuwe directeur geen loon

A was werkzaam bij BV X en bezat 1/3 van de aandelen. Zijn vader bezat de overige aandelen van BV X. A was de beoogd opvolger van zijn vader als bestuurder van BV X. In 2004 gaf A een huwelijksfeest waarvoor 145 personen waren uitgenodigd, waaronder 61 zakelijke relaties van BV X. BV X nam 61/145e deel van de kosten van het feest (€ 6.712) voor haar rekening. De inspecteur legde daarvoor een naheffingsaanslag LB op aan BV X. Rechtbank Arnhem besliste dat een huwelijk in zijn algemeenheid van zodanig persoonlijke aard was dat met de daaraan verbonden kosten geen zakelijk belang werd gediend. In dit geval was echter sprake van bijzondere omstandigheden, die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigden. Volgens de Rechtbank hadden privé-motieven geen rol gespeeld bij de beslissing de zakelijke relaties voor het huwelijk uit te nodigen. Het was voor BV X van groot belang dat haar zakenrelaties in een informele sfeer kennis konden maken met de toekomstige directeur en zijn huwelijk vormde daarvoor een goede gelegenheid. Een evenredig deel van de variabele kosten van de huwelijksfestiviteiten vormde volgens de Rechtbank kosten ter behoorlijke invulling van de (toekomstige) dienstbetrekking van A in de zin van artikel 15, onderdeel a, Wet LB. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20090603 - Arr.rb. Arnhem 17 november 2008 AWB08/176


Fiscus geeft extremisten geld terug

Mogelijke geweldsacties onvoldoende om ANBI-status te onthouden

De in 1989 opgerichte stichting X gaf geld aan actiegroepen die buitenparlementaire acties voerden voor een andere maatschappij. Daarnaast steunde zij incidenteel landelijke acties op het gebied van mensenrechten, feminisme, milieu, anti-racisme, dierenstrijd en anti-militarisme. X was tot en met 2007 aangemerkt als algemeen nut beogende instelling (ANBI), maar vanaf 2008 wees de inspecteur de ANBI-status af, omdat de door X ondersteunde activiteiten van dien aard waren dat deze soms aanleiding gaven tot geweld. Rechtbank Haarlem besliste dat de enkele omstandigheid dat niet bij voorbaat kon worden uitgesloten dat bij de door X gesteunde acties geweld zich in enigerlei vorm maar dan wel in beperkte mate zou kunnen voordoen (zoals het knippen van gaten in een hek of het zich vastmaken aan spoorrails) onvoldoende was om X de status van ANBI te onthouden. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20090512 - Arr.rb. Haarlem 3 december 2008 AWB08/4342


Liever de koopman spelen dan dominee

Antwoord op kamervragen over convenant met sekswerkers

De staatssecretaris heeft antwoord gegeven op vragen van de Tweede-Kamerleden Remkes, Weekers, Omtzigt, mevrouw De Pater-Van der Meer en Cramer (zie FutD 2008-2640) naar aanleiding van de berichtgeving in Fiscaal up to Date over het convenant dat de Belastingdienst met de prostitutiebranche heeft gesloten en het bijbehorende voorwaardenpakket (zie FutD 2008-2578 met ons commentaar).

De Belastingdienst heeft volgens de staatssecretaris naar zijn eigen oordeel de feiten en omstandigheden beoordeeld en binnen de vigerende wet- en regelgeving een vaststellingsovereenkomst gesloten. Kernpunt daarvan is volgens de staatssecretaris dat exploitant en sekswerkers gebruik maken van artikel 4, onderdeel f, van de Wet loonbelasting (LB). Daarmee vallen zij onder het regime van de LB en kunnen zij gebruik maken van alle mogelijkheden die de Wet LB biedt, zoals het geven van onbelaste vergoedingen, daar waar de werknemer ook kosten heeft gemaakt. Onderdeel van het bij de vaststellingsovereenkomst behorende voorwaardenpakket is de mogelijkheid een, door de inspecteur te beoordelen, onbelaste kostenvergoeding toe te kennen aangezien er volgens de staatssecretaris ook kosten worden gemaakt. Op basis van ervaringscijfers heeft de inspecteur volgens de staatssecretaris de vergoedingsregeling met de branche besproken en zijn de wettelijke mogelijkheden en beperkingen toegepast. De toetsing van de feiten en omstandigheden aan wet- en regelgeving heeft volgens de staatssecretaris geleid tot het percentage van 20%. In veel situaties bleek dit percentage volgens de staatssecretaris alleen al voor de reiskosten hoger te liggen. De belangrijkste kostensoorten waar de vergoedingsmogelijkheid op ziet zijn kosten van vervoer (openbaar vervoer, eigen auto of taxivervoer), attributen, telefoonkosten e.d. Kosten van gangbare kleding en van persoonlijke verzorging zijn daarbij volgens de staatssecretaris als niet vrij vergoedbaar aangemerkt. De gemaakte afspraken betekenen volgens de staatssecretaris niet dat ook andere werknemers, zoals leden van een orkest die beroepshalve in gepaste kleding moeten verschijnen, een korting op het loon voor beroepskosten mogen aftrekken.

De staatssecretaris verwacht dat de vaststellingsovereenkomst in deze branche goed zal werken. De duidelijkheid over de fiscale positie zal volgens hem leiden tot minder geschillen waardoor de Belastingdienst zich met specifieke handhavingswerkzaamheden meer en meer kan richten op het niet-compliante, en veelal anonieme deel, van de branche. Waar nodig en wenselijk kan met een juiste feitelijke onderbouwing, te beoordelen door de inspecteur, volgens de staatssecretaris ook in andere branches een soortgelijke overeenkomst worden gesloten.

Ministerie van Financiën 16-1-2009, nr. DGB2008-06734 (Fida 20090325) en nr. DGB2008/6727 (Fida 20090326)

Ons commentaar
In dit commentaar gaan wij nader in op enige fiscale aspecten in de sekswerkersbranche waaraan de staatssecretaris voorbij gaat in de beantwoording van de kamervragen:

A. De 20%-vergoeding
In het voorwaardenpakket en de daaraan gekoppelde vaststellingsovereenkomst (VSO) met de prostitutiebranche staat het volgende (wij citeren):

"3. Van de aan de Sekswerker toekomende inkomsten (exclusief omzetbelasting) wordt voor de Loonheffing een gedeelte ter grootte van 20% aangemerkt als een fiscaal onbelaste onkostenvergoeding ter dekking van de door de Sekswerker voor eigen rekening te maken kosten voor de uitoefening van haar/zijn werkzaamheden."

De hierover in ons commentaar in FutD 2008-2578 gemaakte ophef, leidde tot een tweetal kamervragen. De reden van de ophef, wij herhalen het nog maar eens, is dat de vrije vergoeding van 20% in strijd is met de wet. Een vrije vergoeding van kosten kan volgens de regels in de loonbelasting niet worden uitgedrukt in een vast percentage van de inkomsten, omdat kosten nu eenmaal niet afhankelijk zijn van inkomsten. Een kostenvergoeding in een vast bedrag kan slechts worden toegekend na een gedetailleerd onderbouwd overzicht van beroepskosten van werknemers die tot een zogenoemde homogene groep in een bepaald bedrijf behoren. De Belastingdienst houdt normaliter streng de hand aan zowel de eis van de met originele bewijsstukken gestaafde kosten als de eis van homogeniteit. Bovendien huldigt de Hoge Raad deze strenge eisen ook, getuige het arrest van 23 januari 2009 (zie FutD 2009-0185 in deze aflevering) waarin de Hoge Raad in r.o. 5.1. nog eens expliciet overweegt dat vaste vergoedingen niet tot het loon behoren, voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd. De 20%-vergoeding voldoet aan geen van de wettelijke eisen en is in wezen een vermomde belastingkorting. Wat de Belastingdienst de prostitutiebranche toestaat, is wettelijk dus niet toegestaan. De Belastingdienst handelt contra legem.

Voor sekswerkers die in loondienst werken of onder het voorwaardenpakket werkzaam zijn, geldt in elk geval tot 1 januari 2014 een uitzondering. Zij kunnen zonder enige onderbouwing en zonder enig bewijs 20% van hun inkomsten onbelast vergoed krijgen. Uit het NRC-weblog van Aertjan Grotenhuis blijkt dat NOC*NSF al jaren probeert een vaste kostenvergoeding voor haar A-topsporters te krijgen. De Belastingdienst staat dat niet toe, terwijl dit ook een beroepsgroep betreft, die sterk afhankelijk is van zijn/haar eigen lichaam. Volgens de blogger van NOC*NSF zit het probleem bij deze beroepsgroepen voor de Belastingdienst in de (para)medische kosten en de persoonlijke verzorging. Deze uitgaven zijn essentieel voor verantwoorde topprestaties, maar ze mogen niet onbelast worden vergoed. Daarnaast is de hoogte van de vergoeding van 20% van de inkomsten voor een categorie sekswerkers ronduit riant te noemen. In geen enkele andere bedrijfstak is de Belastingdienst bereid te praten over zo'n (hoog) vast percentage van beroepskosten. Wat de Belastingdienst voor sommigen in de prostitutiebranche toestaat, staat de Belastingdienst anderen niet toe. De Belastingdienst handelt daardoor in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

B. Invoering fictieve dienstbetrekking zonder oordeel Tweede Kamer
De relatie tussen de exploitant en sekswerker wordt met ingang van 1 januari 2009 aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking, tenzij akkoord wordt gegaan met het voorwaardenpakket. De invoering van de fictieve dienstbetrekking voor sekswerkers is in geen enkele wet opgenomen. In de gebruikelijke in het najaar bij de Tweede Kamer in te dienen wetsvoorstellen, zoals het Belastingplan of het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen, werd hierover met geen woord gerept. De fictieve dienstbetrekking werd bij algemene maatregel van bestuur ingevoerd en die werden vlak voor het jaareinde in het Staatsblad geplaatst (zie FutD 2009-0032). Deze regelingen werden, zonder dat daaraan vooraf enige ruchtbaarheid werd gegeven in bijvoorbeeld het Belastingplan 2009 of het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2009, naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin werd verwezen naar het voorwaardenpakket (de VSO werd niet bijgevoegd), maar de 20%-vergoeding kwam daarin niet aan de orde. Het is duidelijk de bedoeling geweest om de Tweede Kamer hiervan niet op de hoogte te brengen. Om het doel van het heffen en innen van belasting bij deze moeilijk in de greep te krijgen branche te bereiken, heeft de Belastingdienst een overeenkomst met een branche gesloten waarvan de belangrijkste onderdelen bewust aan het zicht van de Tweede Kamer zijn onttrokken.

C. Fictieve dienstbetrekking
Op grond van artikel 2ca van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting en artikel 5a van het Besluit van 24 december 1986, tot aanwijzing van gevallen waarin een arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd wordt de arbeidsrelatie van een sekswerker met ingang van 1 januari 2009 aangemerkt als een dienstbetrekking. Volgens de nota van toelichting in het Staatsblad (zie FutD 2009-0032) zijn arbeidsrelaties in de prostitutiebranche vrijwel altijd aan te merken als een dienstbetrekking. Dit is onjuist. Bij raamprostitutie is doorgaans sprake van de uitoefening van een vrij beroep (dit wordt ook door de Belastingdienst erkend). Dit geldt ook voor thuiswerkers en dienstverleners in hotels of andere locaties. Bij seksuele dienstverlening in besloten clubs hangt het van de feiten en omstandigheden af of sprake is van een dienstverband. Alleen als wordt voldaan aan bij ministeriële regeling nader te stellen regels, wordt de arbeidsrelatie niet als (fictieve) dienstbetrekking beschouwd (zie FutD 2009-0029). In dat geval wordt uitgegaan van een fictieve dienstbetrekking als de VSO met het bijbehorende voorwaardenpakket wordt getekend. Volgens gemachtigden in deze branche leidt de fictieve dienstbetrekking tot rechtsongelijkheid binnen de groep van (seksuele) dienstverleners, omdat slechts een klein deel van de branche (circa 25%) daardoor wordt bestreken. Bovendien kan de fictieve dienstbetrekking alleen maar worden geëffectueerd als de kamerverhuurder tot betaling van een beloning aan de sekswerkers zou zijn gehouden. Gemachtigden verwachten daarover een reeks van procedures, want doorgaans wordt de sekswerker door de klant betaald.

D. Fiscale amnestie in ruil voor handtekening onder VSO
Uit de vele uitgebreide reacties die wij van lezers ontvingen naar aanleiding van het bericht in Fiscaal up to Date blijkt dat de Belastingdienst in maart 2008 is gestart met het onder druk zetten van kamerverhuurbedrijven om het voorwaardenpakket, dat geen enkele wettelijke verankering kende, ondertekend te krijgen. Aan de exploitanten werd mondeling toegezegd dat voorlopig geen fiscale controle zou plaatsvinden en reeds aangekondigde en opgelegde navorderings- en naheffingsaanslagen met boeten zouden worden vernietigd, als de VSO met daarbij het voorwaardenpakket werd ondertekend. Van diverse zijden is ons meegedeeld dat de Belastingdienst exploitanten via misbruik van controlebevoegdheden onder druk heeft gezet - en dat nog steeds doet - een VSO inzake toepassing van het voorwaardenpakket aan te gaan. Verder zou de opmerking in de aan de Tweede Kamer gezonden nota van toelichting bij het Staatsblad (zie FutD 2009-0032), dat afspraken zijn gemaakt met belangengroeperingen voor sekswerkers en exploitanten, bezijden de waarheid zijn. Voort wordt betwijfeld dat de met deze branche getroffen regeling werkelijk een succes-story is. Ongeveer 70% van de bedrijven heeft de VSO en het voorwaardenpakket getekend, en dit percentage is, zoals gezegd, met name bereikt door het dreigen en knijpen van de exploitanten totdat zij piepten. Slechts 25% van de betrokkenen heeft de VSO en het voorwaardenpakket getekend, en dit percentage is - zoals gezegd - met name bereikt door het knijpen van de exploitanten en sekswerkers, totdat zij piepten. De Belastingdienst was bereid te berusten in de over het verleden niet-geheven en geïnde, maar wel verschuldigde, belasting mits de exploitanten instemden met de VSO en het voorwaardenpakket. Verder zijn in de VSO de beëindigingsgronden zeer eenzijdig geregeld. Er geldt een opzegtermijn van drie maanden en pas per 1 januari 2010, maar de Belastingdienst kan eerder opzeggen als de overeenkomst door de rechter ongeldig wordt verklaard. Daarnaast kan de Belastingdienst de spelregels eenvoudig wijzigen via wetgeving van de staatssecretaris, die op dat moment als wetgever optreedt, die automatisch doorwerkt in de VSO. Insiders verwachten dat het voorwaardenpakket averechts zal uitpakken. Men vermoedt met name dat door de invoering van de fictieve dienstbetrekking een deel van de prostitutie zich aan het zicht van de overheid gaat onttrekken. De regelgever beseft dit waarschijnlijk ook want volgens de nota van toelichting leveren de maatregelen (per saldo) niets op voor de schatkist.

Wij zijn benieuwd of de vragenstellers van de Tweede Kamer genoegen nemen met de onware, onjuiste en misleidende antwoorden van de staatssecretaris.

Bron:
Fida 20090325 - Min. v. Fin. 16 januari 2009 DGB/2008-06734
Fida 20090326 - Min. v. Fin. 16 januari 2009 DGB/2008/6727

Zie ook:
weblog NRC


Meewerkende partner kan zelfstandigenaftrek krijgen

Eega van tandtechnicus had recht op zelfstandigenaftrek

Mevrouw X en haar man Y dreven sinds 1991 een tandtechnisch laboratorium in de vorm van een v.o.f. Y was tandtechnicus en beschikte over de vereiste diploma's. Y zorgde voor het maken van protheses en frames en X haalde deze zaken op en bracht ze naar een vaste groep tandartsen, deed de facturering en verzorgde de dagelijkse administratie. Daarnaast verrichtte zij ook uitvoerende tandtechnische werkzaamheden. X ging in beroep tegen de navorderingsaanslag IB 2001 waarin de zelfstandigenaftrek niet was geaccepteerd omdat volgens de inspecteur sprake was van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van X ongegrond. Op het hoger beroep van X besliste Hof Arnhem dat uit de specificatie van de werkzaamheden bleek dat X, naast puur ondersteunende werkzaamheden, ook uitvoerende tandtechnische werkzaamheden verrichtte, zoals het repareren van gebitten en frames, het maken van gipsafdrukken, het monteren van gebitten, het testen en uitlezen van de registratie, het polijsten en het overleggen met tandartsen over opdrachten. Deze werkzaamheden werden weliswaar niet apart gefactureerd, maar waren wel omzetgenererende werkzaamheden, waaraan de onderneming haar bestaansrecht ontleende. Het Hof besliste dat deze werkzaamheden niet van ondersteunende aard waren en meer dan 30% van alle werkzaamheden omvatte die X per week gedurende het jaar verrichtte. Daarnaast leidde X het bedrijf zowel op commercieel als op organisatorisch vlak. Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20090316 - Hof Arnhem 24 december 2008 07/00334

Echtgenote van dierenarts was geen ondernemer

De echtgenoot (A) van mevrouw X was dierenarts. Mevrouw X was gediplomeerd paraveterinair-verpleegkundige. Met Y oefende zij met ingang van 1 januari 1996 in maatschapsverband een dierenartsenpraktijk uit. In de maatschapsovereenkomst was met betrekking tot de verdeling van de werkzaamheden overeengekomen dat alleen A in de maatschap als dierenarts werkzaam zou zijn, dat A persoonlijk verantwoordelijk was voor het diergeneeskundige werk en dat tussen partijen dan ook geen enkel samenwerkingsverband bestond voor de uitoefening van de diergeneeskundige praktijkwerkzaamheden. Verder was bepaald dat mevrouw X alle voorkomende werkzaamheden zou verrichten, zoals het verzorgen van de administratie waaronder de financiële administratie, het opvangen van patiënten, het verzorgen van afspraken, het schoonhouden van de praktijkruimte, het realiseren van investeringen en het assisteren bij behandelingen en operaties. Hof Den Bosch was het met de inspecteur eens dat mevrouw X in 2001 geen recht had op de zelfstandigenaftrek, omdat zij niet aan het urencriterium voldeed. Het Hof vond het aannemelijk dat de werkzaamheden van mevrouw X hoofdzakelijk bestonden uit de in de maatschapsovereenkomst opgesomde werkzaamheden, die ondersteunend van aard waren, omdat bij een dierenartspraktijk de dienstverlening door de dierenarts de werkzaamheden vormden waarmee de omzet gegenereerd kon worden. Mevrouw X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het Hof een juiste beslissing had genomen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van mevrouw X ongegrond.

Bron:
Fida 20085107 - Hoge Raad 19 december 2008 43075

Eega verrichtte ondersteunende werkzaamheden in hoofdactiviteit van v.o.f.

Mevrouw Y en haar echtgenoot B startten in 1999 een v.o.f. In 2001 hield de v.o.f. zich bezig met advisering op het gebied van hei- en fundatietechniek en met het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Mevrouw Y verrichtte correctiewerkzaamheden voor BV Z. Tot 1 september 2001 verrichtte zij deze werkzaamheden in loondienst en daarna gedurende 444 uren op factuurbasis. De omzet terzake van de sedert 1 september verrichte correctiewerkzaamheden rekenden zij en B tot de omzet van de v.o.f. De overige werkzaamheden van mevrouw Y bestonden uit de controle van heistaten, het opmaken van kwaliteitsrapporten, het doen van de administratie en het onderhouden van contacten met banken en de accountant. Hof Den Haag was het met de inspecteur eens dat mevrouw Y in 2001 geen recht had op de zelfstandigenaftrek, omdat zij niet aan het urencriterium voldeed. Mevrouw Y ging in cassatie. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond. Als sprake was van verschillende, binnen een samenwerkingsverband gedreven, ondernemingen moest per onderneming worden beoordeeld of de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard waren. Uit de uitspraak van het Hof bleek dat de correctiewerkzaamheden niet waren verricht ten behoeve van de in het firmaverband gedreven onderneming(en) waarin werd geadviseerd op het gebied van respectievelijk hei- en fundatietechniek en onderhoudswerkzaamheden. De door mevrouw Y gedurende 444 uren verrichte correctiewerkzaamheden moesten daarom buiten beschouwing blijven bij het antwoord op de vraag of haar werkzaamheden al dan niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard waren. Ten aanzien van haar overige werkzaamheden ten behoeve van de v.o.f. was duidelijk dat deze van ondersteunende aard waren. De Hoge Raad bevestigde de conclusie van het Hof dat mevrouw Y in 2001 niet voldeed aan het urencriterium.

Bron:
Fida 20085105 - Hoge Raad 19 december 2008 42092


Fiscus wil kinky kleding niet belasten

Convenant met prostitutiebranche openbaar

In juli 2008 kwam de Belastingdienst met belangengroepen voor sekswerkers en exploitanten in de prostitutiebranche een voorwaardenpakket overeen over de zelfstandigheid van de sekswerker, de uitbetaling van de inkomsten, het afdragen van belasting en de administratieve vastleggingen. Naar aanleiding hiervan moet de exploitant zelf een vaststellingsovereenkomst (vso) of convenant met de Belastingdienst sluiten en voldoen aan de voorwaarden die daarbij horen. Fiscaal up to Date heeft de documenten waarin deze vaststellingsovereenkomsten of convenanten zijn opgenomen bij het ministerie van Financiën opgevraagd en gekregen. Aan de verkregen vso ontlenen wij het volgende:

Bronnen:
Fida 20084907 - Belastingdienst Publicatiedatum onbekend Publicatienummer geen
Fida 20085084 - Tweede Kamer 17 december 2008 Publicatienummer onbekend
Fida 20085141 - Tweede Kamer 19 december 2008 2080908260


Fiscus blundert weer met aftrek

Fout met geautomatiseerde verliesverrekening niet navorderbaar

Mevrouw X deed via de aangiftesoftware van de Belastingdienst aangifte IB over 2001. Per abuis bracht zij in het programma € 1.327.919 aan rente en kosten ten behoeve van de eigen woning in aftrek. In werkelijkheid ging het om € 13.279,19. Via het geautomatiseerde proces van de Belastingdienst werd het oorspronkelijk vastgesteld verlies ad € 1.294.649, welke als gevolg van een administratieve fout nog was opgenomen in het systeem van de Belastingdienst, verrekend met het inkomen uit werk en woning over 2002 tot en met 2004. Hierdoor werd het belastbaar inkomen uit werk en woning in de betreffende jaren op nihil gesteld. Dit leidde voor X tot teruggaven van de ingehouden loonheffing. De inspecteur legde over 2002 tot en met 2004 navorderingsaanslagen op aan X, maar Rechtbank Arnhem heeft hier een stokje voor gestoken. Navordering was volgens de Rechtbank niet mogelijk, omdat sprake was van fouten die het gevolg waren van een onjuiste gegevensverwerking (door personen of automatiseringssystemen) welke voortvloeide uit een bepaalde werkwijze waarvoor binnen de Belastingdienst was gekozen. Dergelijke fouten kwamen, zoals de Hoge Raad reeds in zijn arresten van 14 april 2006 had beslist, voor rekening van de Belastingdienst.

Bron:
Fida 20090195 - Arr.rb. Arnhem 24 september 2008 AWB08/345


Fiscus vergeet successierecht

Door fout van fiscus achterwege gebleven succcessie-aanslagen niet navorderbaar

Mevrouw X overleed in 2001. Negen van haar neven en nichten waren bij testament benoemd tot erfgenaam. De gegevens uit de aangifte werden door een niet-fiscaal geschoolde medewerker van de Belastingdienst in het geautomatiseerde systeem ingevoerd. Na het invoeren van alle gegevens klikte de medewerker de knop "rekenen" aan, waarna het saldo van de nalatenschap werd berekend en een resultaatscherm verscheen. Op dat scherm moest de medewerker vervolgens handmatig één van de vakjes "beschikking geen aanslag" of "aanslagbiljet" aanvinken. De medewerker vinkte (per vergissing) het vakje "beschikking geen aanslag" aan in plaats van het vakje "aanslagbiljet". Alle negen neven en nichten ontvingen daarna een "beschikking geen aanslag". Toen de inspecteur de fout ontdekte, legde hij aan de neven en nichten navorderingsaanslagen successierecht op van elk € 168.791. De neven en nichten gingen in beroep. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de neven en nichten ongegrond. Volgens de Rechtbank was sprake van een fout tengevolge van een onjuiste muisklik door de aanslagregelende ambtenaar, die had geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in de "beschikkingen geen aanslag" was vastgelegd. Hof Den Haag heeft thans echter op het hoger beroep van de erfgenamen beslist dat de verzending van de "beschikking geen aanslag" een fout was die het gevolg was van een onjuiste gegevensverwerking (door personen of automatiseringssystemen) welke voortvloeide uit een werkwijze waarvoor binnen de Belastingdienst gekozen was. De inspecteur moest volgens het Hof geacht worden de gevolgen van die werkwijze voor zijn rekening te hebben willen nemen. Het Hof verklaarde het beroep van de erfgenamen gegrond en vernietigde de aan hen opgelegde navorderingsaanslagen.

Bron:
Fida 20090056 - Hof Den Haag 16 december 2008 BK-07/00126


'Fiscus ontziet prostituees',
'Korting sekswerker boeit werknemer' en
'Uitleg gevraagd over korting fiscus prostituees'

Convenant met prostitutiebranche openbaar

In juli 2008 kwam de Belastingdienst met belangengroepen voor sekswerkers en exploitanten in de prostitutiebranche een voorwaardenpakket overeen over de zelfstandigheid van de sekswerker, de uitbetaling van de inkomsten, het afdragen van belasting en de administratieve vastleggingen. Naar aanleiding hiervan moet de exploitant zelf een vaststellingsovereenkomst (vso) of convenant met de Belastingdienst sluiten en voldoen aan de voorwaarden die daarbij horen. Fiscaal up to Date heeft de documenten waarin deze vaststellingsovereenkomsten of convenanten zijn opgenomen bij het ministerie van Financiën opgevraagd en gekregen. Aan de verkregen vso ontlenen wij het volgende:

Bron:
Fida 20084907 - Belastingdienst Publicatiedatum onbekend Publicatienummer geen


Hoge Raad eigenwijs langs adviseur

Hoge Raad volgt 70% van de adviezen van Advocaten-Generaal op

De redactie van het vakblad Fiscaal up to Date heeft aan de hand van ruim 700 conclusies van Advocaten-Generaal een berekening gemaakt van het effect ervan op de uiteindelijke beslissing van de belastingkamer van de Hoge Raad. Het is een uniek onderzoek dat nooit eerder is gedaan, maar waarover wel veel wordt gespeculeerd.

Advocaten-Generaal behoren tot het parket en brengen net als in strafzaken en civiele zaken, ook in fiscale zaken conclusies uit bij cassatiezaken. In een conclusie wordt aan de hand van een diepgaand onderzoek naar wet- en regelgeving, jurisprudentie, vakliteratuur en internationale en maatschappelijke ontwikkelingen een gemotiveerd advies aan de Hoge Raad uitgebracht over de afloop van een bij de hoogste rechter ingesteld beroep in cassatie.

Tot op heden was niet duidelijk wat de concrete status van conclusies van de Advocaten-Generaal is. De uitkomsten van het onderzoek van Fiscaal up to Date onderstrepen de grote voorspellende waarde van deze conclusies. De vice-president van de Hoge Raad, mr. D.G. van Vliet, onderstreept in het nawoord van het rapport het belang en de onmisbaarheid van conclusies.

De onderzoeksresultaten zijn ook in de belastingadviespraktijk van groot nut. In doorgaans langlopende rechterlijke procedures weten de adviseur en zijn cliënt met een conclusie eerder waar zij aan toe zijn. Het advies van de Advocaat-Generaal kan daardoor een belangrijke rol spelen in aanstaande en lopende geschillen met de Belastingdienst.

Rapport aanvragen
Klik hier om het rapport aan te vragen


Ruzie met fiscus om jackpot

Prijs van € 20 mln in oudejaarsloterij op oudejaarsavond belast in box III

De heer X was op 31 december 2004 de gelukkige winnaar van de hoofdprijs in de oudejaarsloterij en won € 20.000.000. Hij was het er niet mee eens dat de inspecteur de hoofdprijs tot de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar 2004 rekende, maar kreeg bij Rechtbank Breda het lid op de neus. X had de prijs op 31 december 2004 's avonds gewonnen en het bedrag was weliswaar pas op 4 januari 2005 op zijn rekening bijgeschreven, maar de wetgever had volgens de Rechtbank gekozen voor een forfaitair systeem waarbij het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar bepalend was voor de berekening van de inkomsten uit sparen en beleggen. Daarbij had de wetgever zoals ook bleek uit een arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2008 (zie FutD 2008-0995 met ons commentaar) welbewust afgezien van een nadere verfijning op grond van het moment van verkrijgen dan wel het verlies van bezittingen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20083474 - Rechtbank Breda 24-7-2008, nr. 07/5057


Aanslag fiscus 17 jaar na overlijden

Aanslag IB 2006 opgelegd aan 17 jaar geleden overleden tante

De Belastingdienst legde een aanslag IB 2006 op aan mevrouw A, de tante van X. Mevrouw A was echter al 17 jaar geleden overleden. De Belastingdienst corrigeerde bovendien de eerste aanslag door een tweede op te leggen. X diende een bezwaarschrift in en vroeg de Belastingdienst tevens om een schriftelijke bevestiging dat de aanslagen ten onrechte waren opgelegd. Hij ontving geen reactie en diende hierop een klacht in bij de commissie voor de verzoekschriften van de Tweede Kamer. De commissie voor de verzoekschriften besliste dat X deels onzorgvuldig was behandeld door de Belastingdienst, omdat zijn brief eerder had moeten worden beantwoord. Inmiddels had de Belastingdienst schriftelijk bevestigd dat de aanslagen ten onrechte aan de overleden tante van X waren opgelegd. Aan X waren hiervoor ook verontschuldigingen aangeboden, zodat volgens de commissie voor de verzoekschriften voldoende aan zijn klacht tegemoet was gekomen.

Bron:
Fida 20083658 - Tweede Kamer 11 september 2008 31260, nr. 67


Vader krijgt BPM als boete bij noodrit

Forse naheffing BPM na ophalen zoontje met auto met buitenlands kenteken

X ging in beroep tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.066, die hij had ontvangen omdat hij gebruik had gemaakt van de openbare weg in Nederland met een auto met een buitenlands kenteken. Rechtbank Breda verklaarde het beroep ongegrond, waarop X in hoger beroep ging en herhaalde dat sprake was geweest van een noodsituatie. Hij moest namelijk zijn zoontje ophalen en beschikte op dat moment niet over vervoer. Daarom had hij een auto van een familielid geleend. Hof Den Bosch was het echter met de Rechtbank eens dat de BPM-wetgeving niet voorzag in de mogelijkheid de heffing in geval van een noodsituatie achterwege te laten, daargelaten of daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie, en of geen andere mogelijkheden voorhanden waren dan het lenen van een niet in Nederland geregistreerde auto. Het Hof was het ook niet met X eens dat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht over de auto had. X bestuurde de auto niet ten behoeve van de eigenaar van de auto, maar uitsluitend voor eigen doeleinden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20082276 - Hof Den Bosch 15 april 2008 06/00239


Coffeeshophouder vrijgesproken van witwaspraktijken

Coffeeshophouder met coderekening vrijgesproken van witwassen

In juli 2002 werd bij een bank in Luxemburg een coderekening geopend, waarvan X -vennoot in twee coffeeshops - de rechthebbende was. Op die rekening werden tot en met oktober 2002 geldbedragen gestort met een totale waarde van ruim € 580.000. De door X aangegeven inkomsten uit de coffeeshops waren onvoldoende om die stortingen te verklaren. X werd strafrechtelijk vervolgd wegens witwassen. Rechtbank Amsterdam vond het niet onaannemelijk dat het geld op de coderekening oorspronkelijk was verdiend in de coffeeshops en vanwege het niet opgeven aan de fiscus als zwart geld moest worden aangemerkt. Doordat het legaal verdiende geld nooit was opgegeven aan de Belastingdienst, had X artikel 69 AWR overtreden, hetgeen een misdrijf was. Dit misdrijf moest volgens de Rechtbank ook als een gronddelict in de zin van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt. De Rechtbank veroordeelde X tot een werkstraf van 200 uur, een geldboete van € 45.000. X ging in hoger beroep. De strafkamer van Hof Amsterdam stelde vast dat de onderliggende fiscale gegevens in het dossier ontbraken. Daarom kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de gestorte geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. Vervolgens besliste het Hof dat ook indien ten aanzien van de verzwijging van inkomsten voor de fiscus door X voldoende bewijsmateriaal voorhanden zou zijn, dit niet tot een bewezenverklaring kon leiden. Het niet, onjuist of niet tijdig doen van aangifte in de zin van artikel 69 AWR had namelijk niet tot gevolg dat de belastingplichtige een "uit misdrijf afkomstig" voorwerp voorhanden kreeg. Onder het opzettelijk niet, onjuist of niet tijdig doen van een aangifte in de zin van artikel 69 AWR was niet te verstaan het witwassen van opbrengsten van misdrijven, nu het hier niet ging om opbrengsten van misdrijven maar aan het oog van de fiscus onttrekken van gelden, waardoor een vordering van de fiscus op de belastingplichtige ontstond. Het voor de fiscus verzwijgen van inkomsten en/of vermogen bracht geen wijziging teweeg in de verondersteld legale herkomst van de verzwegen gelden. Het Hof vernietigde het vonnis van de Rechtbank en sprak X vrij.

Bron:
Fida 20083238 - Hof Amsterdam 11 juni 2008 23-003858-07


Foute aftrek goed

Negeren elektronische toelichting werd fiscus fataal

In zijn elektronisch ingediende aangifte IB 2003 had X € 3.730 aan buitengewone uitgaven opgenomen en € 4.053 aan aftrekbare giften. X had de buitengewone uitgaven alsook de aftrekbare giften in de elektronisch gedane aangifte gespecificeerd. Bij de buitengewone uitgaven stond € 2.425 in verband met schoolgeld en boeken voor zoon A, € 4.384 aan premie ziekenfonds/particuliere ziektekostenverzekering en € 1.460 aan arbeidsongeschiktheidsaftrek. Bij de aftrekbare giften stond een schenking aan de kinderen van X van in totaal € 5.800. De aanslag werd geheel overeenkomstig de aangifte vastgesteld. In het kader van een landelijke actie van de Belastingdienst naar de juistheid van de in de aangiften opgevoerde buitengewone uitgaven, stelde de inspecteur vast dat X buitengewone uitgaven had opgevoerd die als zodanig niet aanvaardbaar waren. Vervolgens concludeerde de inspecteur hetzelfde met betrekking tot door X opgevoerde giften. Toen de inspecteur nog eens terugkeek naar de jaren 2002 en 2003 bleek dat de aangiften over die jaren op dezelfde punten onjuist waren geweest. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op zonder boete. X ging in beroep. Rechtbank Arnhem handhaafde de navorderingsaanslagen, maar Hof Arnhem besliste op het hoger beroep van X in andere zin. Het Hof stelde vast dat X in zijn aangifte aan de inspecteur de gegevens had verstrekt op grond waarvan de inspecteur, indien hij die gegevens ten minste oppervlakkig had bezien, de conclusie had kunnen trekken, dat de aangifte op de onderdelen van buitengewone uitgaven en aftrekbare giften onjuist was, dan wel ten minste nader onderzoek behoefde. De omstandigheid dat voor elektronisch bijgeleverde toelichtende gegevens geen plaats was ingeruimd, was volgens het Hof uitsluitend een gevolg van de door de Belastingdienst gekozen werkwijze en was dus een mede aan de inspecteur toe te rekenen wijze van werken, waarvan de gevolgen niet voor rekening van een individuele belastingplichtige, zoals X, moesten komen. Het Hof concludeerde dat het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbrak en vernietigde de navorderingsaanslagen.

Bron:
Fida 20083175 - Hof Arnhem 23 juli 2008 07/00303


OZB betalen voor pand in aanbouw

OZB-gebruikersbelasting voor (kantoor)panden in aanbouw

De Hoge Raad heeft vier arresten voor publicatie vrijgegeven die betrekking hebben op de vraag of de eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde van een pand in aanbouw als gebruiker in de zin van de Gemeentewet of de Wet WOZ moet worden aangemerkt. De Hoge Raad besliste dat een gebouw in aanbouw in de OZB van artikel 220, letter a, Gemeentewet kon worden betrokken. Wie ter bevrediging van eigen behoefte een opstal (ver)bouwde of liet (ver)bouwen op hem ter beschikking staande grond, gebruikte die grond (en wat daarmee duurzaam was verenigd) in de zin van artikel 220, letter a, Gemeentewet. Indien hij (ver)bouwde of liet (ver)bouwen met het oogmerk de zaak na gereedkoming van de bouw te bezigen voor eigen gebruik, dan wel te verhuren (of op andere titel aan een ander in gebruik te geven), dan wel te verkopen, was volgens de Hoge Raad sprake van bevrediging van eigen behoefte.

Bron:
Fida 20083129 - Hoge Raad 8 augustus 2008 41276
Fida 20083131 - Hoge Raad 8 augustus 2008 41654
Fida 20083132 - Hoge Raad 8 augustus 2008 42195
Fida 20083142 - Hoge Raad 8 augustus 2008 43349
Fida 20061445 - Hof Amsterdam 28 april 2006 04/04441
Fida 20051558 - Hof Den Haag 27 april 2005 BK-03/03687
Fida 20080865 - Hof Arnhem 11 januari 2005 04/00283
Fida 20042833 - Hof Amsterdam 13 augustus 2004 03/03398


Parkeerautomaat te laat wakker

Foutparkeerder bij NS-station gepardonneerd voor kosten van € 45

X reisde per trein. Op werkdagen parkeerde hij zijn auto omstreeks 6.30 uur op een parkeerplaats bij het station. Voor de vanaf 9.00 uur verschuldigde parkeerbelasting kon echter pas vanaf 7.00 uur een kaartje worden gekocht. X ging in beroep tegen een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 0,60 plus € 45 aan kosten. Rechtbank Breda besliste de gemeente, die gelegenheid bood om op een daartoe aangewezen plaats tegen betaling te parkeren, de verplichting had om de aspirant-parkeerder in staat te stellen aan zijn verplichtingen te voldoen via het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Gezien het tijdstip waarop de eerste treinen vanaf dat station gingen rijden, mocht volgens de Rechtbank dat de aanvang van de werkingstijd van de parkeerapparatuur ter plaatse daarop zou zijn afgestemd. De gemeente had ervoor gekozen om de parkeerapparatuur pas om 7.00 uur in werking te stellen, waarmee X de mogelijkheid was onthouden om aan zijn verplichtingen te voldoen. De Rechtbank liet de naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 0,60 in stand, maar vernietigde de bij deze aanslag in rekening gebrachte kosten van € 45.

Bron:
Fida 20082685 - Arr.rb. Breda 4 juni 2008 AWB07/894


Wijn over grens kopen extra belast

Geen accijns over wijnimport Joustra voor persoonlijk verbruik

Eens per jaar liet Joustra voor zichzelf en voor anderen van zijn wijnclub wijn vanuit Frankrijk naar Nederland overbrengen. Deze wijn was in Frankrijk uitgeslagen tot verbruik en in Frankrijk was accijns voldaan. De bestelling van de wijn in Frankrijk geschiedde op naam van de groep. Een Nederlands transportbedrijf haalde de wijn op en leverde deze bij Joustra thuis af, waarvandaan binnen enkele dagen aflevering plaatsvond aan de leden van de groep. Alle door de deelnemers gekochte wijn was bedoeld voor eigen gebruik. Hof Den Bosch besliste dat Joustra geen accijns was verschuldigd en recht had op teruggaaf van de reeds betaalde accijns, maar De Hoge Raad legde prejudiciële vragen voor aan het EG-Hof van Justitie. Het EG-Hof antwoordde daarop dat voor de vrijstelling van accijns op grond van artikel 8 Accijnsrichtlijn was vereist dat de accijnsproducten door particulieren voor eigen behoefte waren verkregen en door de particulieren "zelf" waren vervoerd. Een particulier die niet bedrijfsmatig of met winstoogmerk handelde, die voor eigen verbruik en voor verbruik door andere particulieren tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten verkreeg en deze voor zijn rekening naar een andere lidstaat liet overbrengen door een in deze andere lidstaat gevestigde vervoersonderneming, was ook in deze andere staat accijns verschuldigd. De accijns die eerder was voldaan, moest volgens het EG-Hof worden teruggegeven. De Hoge Raad heeft thans arrest gewezen in deze zaak. Joustra was volgens de Hoge Raad voor de wijn die hij ten behoeve van de andere deelnemers voorhanden kreeg en waarvan hij wist dat daarvan in Nederland geen accijns was geheven, accijns verschuldigd en moest die accijns op aangifte voldoen, zoals hij ook had gedaan. Joustra had echter ook wijn voor persoonlijk gebruik voorhanden en daarop was artikel 2c, lid 2, Accijnswet niet van toepassing. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en verwees de zaak naar Hof Arnhem om Joustra in de gelegenheid te stellen aan te tonen welk deel van de partij wijn voor zijn persoonlijk verbruik was bestemd.

Bron:
Fida 20082238 - Hoge Raad 6 juni 2008 39536


Grenswerker krijgt Belgische aftrek

Belgische onroerende voorheffing voor grensarbeider aftrekbaar

Nederlander X woonde sinds 1993 in België. Hij was in Nederland in dienstbetrekking werkzaam. De belastingheffing over zijn inkomen was op grond van het verdrag met België uit 1970 toegewezen aan Nederland. X koos lopende een beroepsprocedure inzake zijn aanslag IB 2001 alsnog voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen als bedoeld in artikel 2.5 Wet IB 2001. Daardoor kon hij de rente en kosten van zijn eigen woning in aftrek brengen. De inspecteur bleef echter bij het standpunt dat geen rekening kon worden gehouden met de door X vanwege zijn woning in België betaalde onroerende voorheffing van € 936. Hof Den Bosch besliste dat Nederland door de invoering van artikel 2.5 Wet IB 2001 had getracht te voldoen aan het arrest Schumacker van het EG-Hof van Justitie. Nederland had daarmee echter niet alleen de aftrekpost van de hypotheekrente geïntroduceerd, maar ook de positieve inkomsten uit eigen woning - in de vorm van het eigenwoningforfait - in de heffingsmaatstaf betrokken. Dit betekende volgens het Hof dat naast België nu ook Nederland over het positieve element van de inkomsten uit eigen woning hief, terwijl Nederland op grond van artikel 6 van het belastingverdrag dat heffingsrecht niet had. Nederland veroorzaakte daardoor een last die niet ook op in Nederland ingezeten belastingbetalers rustte. De binnenkomende grenswerknemer werd zwaarder belast dan zijn in Nederland ingezeten collega, hetgeen door Europese jurisprudentie werd afgekeurd. Het lag volgens het Hof op de weg van Nederland de hogere last weer weg te nemen. Dit was ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het EG-Hof. De in België verschuldigde onroerende voorheffing over de aldaar gelegen woning was aftrekbaar. Het Hof verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20082168 - Hof Den Bosch 15 april 2008 03/02642


Fiscus wint van free record shop

Eurowisselactie terzake aankoop muziek-CD was niet gelijk aan cadeaubon

BV X hield zich bezig met de verkoop van muziek-CD's. Bij de invoering van de euro had zij de inwisselactie "De Laatste Ronde" (de eurowisselactie) gevoerd. Die actie hield in dat een klant een voorbedrukte enveloppe bij BV X haalde en die vulde met bepaalde buitenlandse valuta. De klant moest deze valuta tegen de officiële wisselkoers ten opzichte van de euro omrekenen naar de waarde in guldens of euro's en het totaalbedrag verminderen met 20%. Voor de eindwaarde kon de klant een muziek-CD kopen. De aftrek van 20% werd door BV X tegenover haar klanten gepresenteerd als een vergoeding voor handlingkosten. BV X leverde de gevulde enveloppen in bij Q waarmee zij een contract had gesloten. Voor een gevulde enveloppe ontving BV X het bedrag na aftrek van de vergoeding voor handlingkosten. Over de handlingkosten voldeed BV X geen BTW. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op over de handlingkosten van € 130.649. BV X ging in beroep en stelde dat de vergoeding gelijk was aan de gewone winkelwaarde van de verkochte CD, waarbij de door de klant ingeleverde buitenlandse valuta werden gewaardeerd op 80%. De enveloppen konden volgens BV X worden aangemerkt als cadeaubonnen of als waardebonnen. Rechtbank Den Haag besliste dat de gevulde enveloppen niet werden verstrekt bij de levering van goederen, maar alleen functioneerden als betaalmiddel bij de verkoop van muziek-CD's. Hierdoor konden de gevulde enveloppen niet worden aangemerkt als zegels of waardebonnen in de zin van de artikelen 20 en 21 van het Uitvoeringsbesluit OB. De Rechtbank besliste dat de cadeaubonnenresolutie zag op het tegen betaling verkrijgen van bonnen, zoals boekenbonnen en CD-bonnen, die bestemd waren om te worden gebruikt als betaling voor de aankoop van bepaalde goederen en diensten. De enveloppen tegen inlevering waarvan muziek-CD's konden worden gekocht waren volgens de Rechtbank niet door BV X uitgegeven en waren ook niet tegen betaling verkrijgbaar. De Rechtbank besliste dat de enveloppen, in tegenstelling tot cadeaubonnen, uit geld bestonden, namelijk buitenlandse valuta en daarom niet konden worden aangemerkt als cadeaubonnen in de zin van de cadeaubonnenresolutie. De Rechtbank besliste tot slot dat op grond van artikel 8, lid 6, Wet OB bij de bepaling van de vergoeding voor verkochte CD's moest worden uitgegaan van de officiële wisselkoersen, ofwel van het in een enveloppe aanwezige nominale bedrag, vóór aftrek van de handlingkosten. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Bron:
Fida 20082103 - Arr.rb. Den Haag 17 april 2008 AWB06/6397


Aderlating schatkist door miljoenenaftrek emissies

Door bank berekende kosten voor aandelenemissie aftrekbaar

NV X was de moedervennootschap van een in Nederland gevestigd, internationaal opererend concern. De (certificaten van) aandelen in NV X waren genoteerd aan Euronext Amsterdam NV. NV X vormde met haar dochtervennootschap BV C een f.e. BV C was de houdstermaatschappij van de buitenlandse werkmaatschappijen van het concern. Op 27 december 1994 kondigde NV X in verband met een acquisitie van de in Duitsland gevestigde beursgenoteerde vennootschap D AG, een openbare aandelenemissie aan terzake van 2.050.263 beperkt royeerbare certificaten aan toonder van cumulatief converteerbare financieringspreferente aandelen in belanghebbende. De inschrijving op deze aandelen stond uitsluitend open voor houders van claims verbonden aan de destijds uitstaande (beperkt royeerbare certificaten aan toonder van) gewone aandelen in belanghebbende. De leiding van de financiële instellingen die de emissie begeleidde (het emissiesyndicaat) berustte bij ING Bank NV. NV X bracht de emissiekosten ten laste van haar winst over het boekjaar 1994/1995. De met de emissie behaalde opbrengst werd (na aftrek van de kosten) binnen de f.e. doorgeleend aan BV C, die daarvan f 118 mln doorleende aan haar Duitse dochtermaatschappij M GmbH. De inspecteur stelde dat de emissiekosten niet aftrekbaar waren en nam daarnaast een bijtelling in aanmerking van de door NV X (fictief) genoten rente van 3% over de lening aan haar Duitse dochtervennootschap M GmbH. NV X ging in beroep. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat de uitspraak van het Hof en de gedingstukken geen andere conclusie toelieten dan dat de aan het emissiesyndicaat betaalde vergoedingen - te weten de "management & underwriting commission", de "selling concession", de "bereidstellingsprovisie", en de betalingen in het kader van de "garantieregeling" - vergoedingen vormden voor de door het emissiesyndicaat verrichte dienstverlening ten behoeve van de onderhavige aandelenemissie. Deze vergoedingen konden in mindering op de winst van NV X worden gebracht. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat het Hof er met betrekking tot het geschilpunt met betrekking tot de winstcorrectie van de onzakelijke renteloze lening aan M GmbH ten onrechte vanuit was gegaan dat partijen zouden hebben afgesproken dat de correctie verliep via een jaarlijkse rente-imputatie van 3% over de nominale waarde van de geldverstrekking zou verlopen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak op dit punt en verwees de zaak naar Hof Den Haag.

Bron:
Fida 20081838 - Hoge Raad 9 mei 2008 43220
Fida 20060916 - Hof Amsterdam 22 maart 2006 01/04227


Fiscus moet draaiboek voor opsporen zwart geld tonen

KB Lux-stukken zijn "op de zaak betrekking hebbende stukken"

De Hoge Raad is in een arrest uitgebreid ingegaan op de stelling van een vermeende rekeninghouder van de KB Lux X dat de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, het draaiboek en de nieuwsbrieven ongeanonimiseerd in het geding moesten worden gebracht. De Hoge Raad besliste dat artikel 8:42 Awb aldus moest worden uitgelegd dat tegemoet moest worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd had gesteld dat het stuk van enig belang kon zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, tenzij sprake was van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat X voldoende gemotiveerd had gesteld dat de integrale tekst van het draaiboek rekeningenproject, de nieuwsbrieven, de originele microfiches en originele afdrukken daarvan van enig belang konden zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, omdat deze stukken door verschillende feitenrechters in vergelijkbare gevallen waren aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, onder meer omdat het draaiboek feitelijke informatie bevatte waarop de Belastingdienst zich bij het opleggen van de aanslag en de boete had gebaseerd. Volgens de Hoge Raad moest de inspecteur deze stukken overleggen voorzover hij zich niet of niet met succes kon beroepen op artikel 8:29 Awb of misbruik van procesrecht. De Hoge Raad stelde X op dit punt in het gelijk. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X op dit punt gegrond en hield de zaak verder aan, omdat hij het antwoord van het EG-Hof van Justitie wilde afwachten op de prejudiciële vragen over de verlengde navorderingstermijn.

Bron:
Fida 20081687 - Hoge Raad 25 april 2008 43448
Fida 20081688 - Hoge Raad 25 april 2008 43791


Hogere belasting voor kampeerders

Forensenbelasting voor caravan door aanwezigheid zonnepalen en aggregaat

X hield in 2006 in de gemeente Nieuwkoop meer dan 90 dagen voor zich of zijn gezin een stacaravan op een camping, zonder dat hij in die gemeente zijn hoofdverblijf had. De gemeente legde een aanslag forensenbelasting op, waartegen X in beroep ging. X vond dat geen sprake was van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 Gemeentewet aangezien de stacaravan niet over een elektriciteitsvoorziening beschikte en er ook geen wasgelegenheid was. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van X ongegrond omdat uit informatie die de gemeente van de campingbeheerder had gekregen, was gebleken dat de stacaravan door middel van zonnepanelen, een aggregaat of anderszins van elektriciteit werd voorzien. De stacaravan beschikte voorts over een wateraansluiting, wasbak, toilet en kookgelegenheid en was aangesloten op de riolering zodat de stacaravan geschikt was om enigszins duurzaam voor bewoning te dienen. Volgens de Rechtbank was sprake van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 Gemeentewet.

Bron:
Fida 20081036 - Arr.rb. Den Haag 14 februari 2008 AWB07/2358


Gemeenteblunder WOZ-aanslag

WOZ-waarde van f 2000 voor grote villa was kenbare fout

Bij de algehele waarderingsronde van de gemeente Y was aanvankelijk een aantal adressen buiten aanmerking gelaten. Op de taxatiekaarten van die adressen was daaraan een code 1 of 2 toegekend. In een aantal gevallen was die code 2 door de data-entry typiste abusievelijk in het veld "waarde" geplaatst. Dit resulteerde bij de geautomatiseerde verwerking van de input in een beschikkingswaarde van f 2.000. Mevrouw X bezat een fraai gelegen grote villa uit de jaren '20 van de vorige eeuw in de gemeente Y. Zij ontving in eerste instantie in juni 1997 een WOZ-beschikking, waarin de waarde van die woning per 1 januari 1995 was vastgesteld op f 2.000, maar in een herzieningsbeschikking stelde de gemeente de WOZ-waarde vast op f 1.229.000. X maakte bezwaar, waarop de gemeente de WOZ-waarde verminderde tot f 800.000. X ging in beroep en stelde dat de herzieningsbeschikking moest worden vernietigd. Hof Den Bosch besliste dat de WOZ-waarde in eerste instantie te laag was vastgesteld als gevolg van een intoetsfout en dat die fout ook redelijkerwijs kenbaar was aan X, die ter zitting had verklaard een waarde van f 2.000 een waanzinnig laag bedrag te vinden. Er was sprake van een kenbare fout die had geleid tot een discrepantie tussen wat de heffingsambtenaar wilde en wat in de beschikking was vastgelegd. Dat X niet wist waardoor de fout was veroorzaakt, was niet van belang. Het afgeven van een herzieningsbeschikking binnen vijf jaar na die van juni 1997 was mogelijk. Vervolgens besliste het Hof dat de gemeente de WOZ-waarde niet aannemelijk had gemaakt en stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op f 660.000.

Bron:
Fida 20080912 - Hof Den Bosch 15 januari 2008 00/02941


Geen bewijs tegen zwartspaarders

Bewijs Van Lanschot slechts bewijs van beerput-affaire

Het laatste nieuws in de Van Lanschot-affaire was dat de staatssecretaris het verzoek van Fiscaal up to Date om openbaarmaking van de brief plus bijlagen van de in het openbaargemaakte draaiboek als Land X aangeduide afzender afwees. Inmiddels is hiertegen beroep aangetekend, maar is zonder tussenkomst van de rechter en zonder medewerking van de staatssecretaris, maar dankzij de inspanningen van advocaat mr S. Bharatsingh te Hilversum de gewraakte brief uit land X toch bekend geworden. Het zal u niet verbazen dat land X België is, maar het zal u wel verbazen als u ziet op welk moment de informatie door België is verstrekt en wat er in de bijlagen bij deze brief staat.

Bron:
Fida 20080476 - Diversen 18 februari 2005 Publicatienummer geen;
Zie verder Project Bank Zonder Naam (Fiscus houdt naam van land x in van Landschot affaire geheim.)


Modezaak dupe fiscus

Korting op verplicht tijdens werktijd te dragen kleding uit winkel was loon

BV X exploiteerde een aantal winkels in dameskleding en verplichtte haar personeel om tijdens werktijd kleding van het bedrijf te dragen. BV X verlangde van haar werknemers dat zij uniforme kleding droegen en had daarvoor een kortingsregeling van 60%. De inspecteur legde over 2004 een naheffingsaanslag LB op van € 168.064 terzake van de door BV X verleende kortingen op de verplichte aanschaf van de kleding door de werknemers. BV X ging in beroep en stelde dat sprake was van een vrije verstrekking als bedoeld in artikel 17, lid 1, onderdeel a, Wet LB. Rechtbank Den Haag stelde voorop dat bij de verstrekking van kleding aan de werknemer ten behoeve van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking de volgende situaties moesten worden onderscheiden: werkkleding, kleding als ARBO-verstrekking, kleding op de werkplek, kleding als product uit eigen bedrijf en overige kleding. Voor overige kleding gold dat de werkgever deze niet vrij kon vergoeden of verstrekken en daarbij was het niet van belang of de werknemer al dan niet verplicht was om de kleding tijdens zijn werkzaamheden te dragen. Tussen partijen was niet in geschil dat de kleding geen werkkleding was, noch kleding die bleef op de plaats waar de arbeid werd verricht. De Rechtbank verwees onder meer naar een arrest van 3 mei 1995 waarin de Hoge Raad had beslist dat geen grond bestond om de kleding uit de collectie, die een verkoopster in een damesmodezaak verplicht was te dragen tijdens de openingstijden van de winkel en die in het normale dagelijkse leven ook kon worden gebruikt, aan te merken als werkkleding. De Rechtbank besliste dat de kleding ook niet moest worden gewaardeerd op de besparingswaarde, waarbij na aftrek van de eigen bijdrage een loonelement van nihil zou resteren omdat de verstrekking van de kleding, niet zijnde werkkleding, geen vrije verstrekking was, ook niet als deze in verband kon worden gebracht met de vervulling van de dienstbetrekking. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Bron:
Fida 20080464 - Arr.rb. Den Haag 24 juli 2007 AWB06/1437


Rotte grasmat levert geld op

Toestand grasmat drukte WOZ-waarde van ArenA-stadion

Om de WOZ-waarde van de Amsterdam-ArenA te bepalen, trad de gemeente Amsterdam in overleg met A, die als financial controller bij NV Stadion Amsterdam werkte. Na een aantal besprekingen stelde de gemeente een concept van een vaststellingsovereenkomst op. A ondertekende de overeenkomst niet. De gemeente was van mening dat een vaststellingsovereenkomst was gesloten en stelde de WOZ-waarde vast op het in de overeenkomst opgenomen bedrag. NV Stadion Amsterdam ging in beroep. Hof Amsterdam (zie FutD 2005-0385) besliste dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. De gemeente had volgens het Hof moeten begrijpen dat A pas akkoord zou gaan met een WOZ-waarde nadat hij zijn adviseurs had geconsulteerd. Het Hof besliste dat de WOZ-waarde van het stadion het beste werd benaderd door de gecorrigeerde vervangingswaarde te hanteren. Het Hof haakte vervolgens aan bij een berekening van de taxateur van de gemeente, met dien verstande dat het Hof rekening hield met de abominabele conditie van de grasmat. Het Hof stelde NV Stadion Amsterdam in het gelijk en verminderde de WOZ-waarde. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 Wet RO).

Bron:
Fida 20080187 - Hoge Raad 18 januari 2008 41709


'Plaggenhut' ArenA krijgt korting fiscus

Toestand grasmat drukte WOZ-waarde van ArenA-stadion

Om de WOZ-waarde van de Amsterdam-ArenA te bepalen, trad de gemeente Amsterdam in overleg met A, die als financial controller bij NV Stadion Amsterdam werkte. Na een aantal besprekingen stelde de gemeente een concept van een vaststellingsovereenkomst op. A ondertekende de overeenkomst niet. De gemeente was van mening dat een vaststellingsovereenkomst was gesloten en stelde de WOZ-waarde vast op het in de overeenkomst opgenomen bedrag. NV Stadion Amsterdam ging in beroep. Hof Amsterdam (zie FutD 2005-0385) besliste dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. De gemeente had volgens het Hof moeten begrijpen dat A pas akkoord zou gaan met een WOZ-waarde nadat hij zijn adviseurs had geconsulteerd. Het Hof besliste dat de WOZ-waarde van het stadion het beste werd benaderd door de gecorrigeerde vervangingswaarde te hanteren. Het Hof haakte vervolgens aan bij een berekening van de taxateur van de gemeente, met dien verstande dat het Hof rekening hield met de abominabele conditie van de grasmat. Het Hof stelde NV Stadion Amsterdam in het gelijk en verminderde de WOZ-waarde. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 Wet RO).

Bron:
Fida 20080187 - Hoge Raad 18 januari 2008 41709


Vader beboet na joyriden zoon

Joyriden kind leidde tot naheffing MRB en 100% boete bij vader

X had het kenteken van zijn auto met ingang van 14 februari 2005 laten schorsen. Op 17 oktober 2005 constateerde de politie dat één van de kinderen van X met die auto gebruik maakte van de openbare weg. X ontving een naheffingsaanslag MRB van € 418 met een verzuimboete van eveneens € 418. X ging in beroep en stelde dat hij zijn kinderen geen toestemming had gegeven gebruik van de auto maken. Rechtbank Den Haag besliste dat de naheffingsaanslag terecht aan X als houder van de auto was opgelegd. Daar deed niet aan af dat één van de kinderen van X zich aan joy-riding schuldig zou hebben gemaakt. Ook de boete was volgens de Rechtbank passend en geboden. Er was geen sprake van afwezigheid van alle schuld. X had als houder van de auto de nodige maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat er ongeoorloofd gebruik van zijn auto werd gemaakt. X had volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij het gebruik door zijn kinderen redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

Bron:
Fida 20080215 - Arr.rb. Den Haag 13 september 2007 AWB06/7083


Boete fiscus na 'proefrit'

Ikea-bezoek tijdens proefrit leidde tot naheffing MRB en boete

BV X handelde in gebruikte auto's en beschikte daarvoor over een handelaarskenteken. Op 29 januari 2006 gaf BV X een auto uit haar bedrijfsvoorraad met een handelaarskenteken mee aan een cliënt voor een proefrit. Die cliënt werd tijdens die rit aangehouden. Hij verklaarde dat hij een proefrit aan het maken was en daarbij langs Ikea was geweest om een vaas te kopen en naar een restaurant om roti te halen. BV X ontving een naheffingsaanslag MRB van € 323 met een boete van 100%. Rechtbank Den Haag besliste op het beroep van BV X dat een rit naar Ikea en naar een restaurant geen verband hield met de verkoop van de auto. Op dat moment werd niet gebruik gemaakt van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten van BV X. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd. Wat betreft de boete, was het volgens de Rechtbank aannemelijk dat BV X de cliënt er vooraf op had gewezen dat de auto enkel en alleen voor een proefrit mocht worden gebruikt. Een boete van 100% was in dit geval niet gerechtvaardigd. Daar deed niet aan af dat BV X niet één van haar werknemers had laten meerijden tijdens de proefrit. Een boete van 75% (€ 242) was volgens de Rechtbank passend en geboden. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20080217 - Arr.rb. Den Haag 13 september 2007 AWB06/6547


Smokkelkosten toch aftrekbaar

Inkoopwaarde drugs aftrekbare kosten hasjtransporteur

X was bij onherroepelijke uitspraak van een Nederlandse strafrechter veroordeeld wegens het medeplegen van (poging tot) opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1, A, Opiumwet, het als oprichter of bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie en het opzettelijk voorhanden hebben van een vervalst geschrift. Hij was tevens veroordeeld tot terugbetaling van een ten onrechte genoten wederrechtelijk voordeel van f 2,6 mln, waarbij Rechtbank Leeuwarden was uitgegaan van (voordeel uit) transport van verdovende middelen en niet van handel daarin. In het belastbare inkomen van X nam de inspecteur f 6,9 mln als "totale veronderstelde netto opbrengst" van hasjtransporten in aanmerking. Voor de berekening daarvan was hij uitgegaan van 7.000 kg à f 3.750 aan "opbrengst gelukte transporten", verminderd met "kosten schepen gelukte transporten", "verloren gegane hasj mislukte transporten" en "kosten schepen mislukte transporten". Hof Arnhem besliste dat de inspecteur het bij twee gelukte hasjtransporten mogelijk gerealiseerde voordeel niet in redelijkheid had bepaald, omdat hij was uitgegaan van een te hoge marge per kg. Het Hof verminderde het door de inspecteur berekende voordeel met f 4 mln. De staatssecretaris ging in cassatie en stelde dat de kosten niet aftrekbaar waren omdat sprake was van een misdrijf waarvoor X onherroepelijk door een Nederlandse rechter was veroordeeld, zodat het Hof artikel 8a,1, c, Wet IB 1964 of artikel 36, 1, m, Wet IB 1964 ten onrechte buiten toepassing had gelaten. De Hoge Raad besliste echter dat het Hof de kosten niet buiten aanmerking had kunnen laten, omdat X - anders dan waarvan de inspecteur was uitgegaan - niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak was veroordeeld wegens handel in verdovende middelen, maar wegens transport daarvan naar Nederland. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond.

Bron:
Fida 20074231 - Hoge Raad 7 december 2007 43036


Blunder fiscus levert 3,4 mln. op; Foutje bedankt

Geen versoepeling van eisen van nieuwe feit bij navordering

X diende op 10 maart 2002 zijn aangifte IB 2001 in door middel van een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde diskette. Daarbij maakte hij abusievelijk een fout. De opgave van de aftrekbare hypotheekrente, die € 3.419 had moeten zijn, vermeldde € 3.419.635. De Belastingdienst nam de inhoud van de diskette geautomatiseerd over. Vervolgens legde de inspecteur een navorderingsaanslag op waarbij hij de fout ongedaan maakte. Hof Den Bosch besliste dat de inspecteur niet over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte. Door het bewust toepassen van een werkwijze om grote aantallen aangiften geautomatiseerd te regelen, en een geval als het onderhavige niet voor handmatige beoordeling te selecteren, had de inspecteur volgens het Hof een fout begaan die hij niet door middel van een navorderingsaanslag mocht herstellen. Tegen deze uitspraak werd door geen der partijen beroep in cassatie ingesteld, maar AG Niessen verzocht de Hoge Raad cassatie in het belang der wet in te stellen om de invulling van de voorwaarden waaronder navordering kan plaatsvinden, en dus de tot op heden gewezen jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot het nieuw feit en ambtelijk verzuim, aan te passen. De Hoge Raad heeft het verzoek van de heer Niessen afgewezen. Onder verwijzing naar eerdere wetsvoorstellen over de verruiming van de mogelijkheden van navordering die door de Tweede Kamer waren afgewezen, besliste de Hoge Raad dat het niet op zijn weg ligt om zijn uitleg van artikel 16 AWR te herzien in verband met de (veranderde) werkwijze van de Belastingdienst, en te beslissen of de grenzen van de navorderingsmogelijkheden van de fiscus opnieuw moeten worden afgebakend. Die beslissing is volgens de Hoge Raad, mede gelet op het rechtspolitieke karakter daarvan, aan de wetgever, na een (openbaar) debat over de daaraan verbonden aspecten.

Bron:
Fida 20074237 - Hoge Raad 7 december 2007 44096


Lagere boetes zwartspaarders

Termijn undue delay startte bij eerste vragenbrief fiscus

De Belastingdienst kreeg begin 2003 een anonieme tip over X. Eind 2003 ontving de Belastingdienst een klikbrief van een familielid van X die vertelde dat X over een aanzienlijk banktegoed bij een bank in Duitsland beschikte. Naar aanleiding hiervan stuurde de Belastingdienst op 24 november 2003 een standaardvragenbrief uit het rekeningenproject naar X. Daarbij werden tevens vergrijpboeten aangekondigd. De dochter van X nam telefonisch contact op met de inspecteur en gaf aan dat zij zich niet kon voorstellen dat haar vader over vermogen in het buitenland beschikte. De inspecteur vatte dit op als een ontkenning. Op 14 mei 2004 overlegde X drie spaarbankboekjes van de rekeningen die hij aanhield bij een Duitse bank. Op 24 februari 2004 verzond de FIOD/ECD een verzoek tot wederzijdse bijstand naar het Duitse Ministerie van Financiën, waarop de Belastingdienst op 23 juni 2004 overzichten ontving met de saldi en rente op drie bankrekeningen die X had aangehouden bij de Duitse bank. Er volgden navorderingsaanslagen IB 1993-2003 met boeten van 50% en navorderingsaanslagen VB 1994-2000 met eveneens boeten van 50%. X ging in beroep en stelde dat de informatie die de inspecteur op basis van de brief van 24 november 2003 had verkregen als onrechtmatig moest worden beschouwd. Verder stelde hij dat de boete moest vervallen in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Rechtbank Arnhem besliste dat de inspecteur de navorderingsaanslagen had gebaseerd op informatie die hij van X zelf had gekregen. Het feit dat over een onderzoek bij X werd gesproken, maakte de later van het Duitse Ministerie van Financiën verkregen inlichtingen niet onrechtmatig. Verder besliste de Rechtbank ten aanzien van de boeten dat de eerste vragenbrief van de Belastingdienst van 24 november 2003 moest worden aangemerkt als de aanvang van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM, en dat deze termijn was overschreden omdat de Rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn uitspraak had gedaan. De Rechtbank verminderde de vastgestelde boeten met 40%.

Bron:
Fida 20073785 - Arr.rb. Arnhem 7 november 2007 AWB06/1509


Sexbazen moeten fiscus bijbetalen

Exploitatie sexinrichting bestond niet alleen uit kamerverhuur

Mevrouw X exploiteerde een sexinrichting in een flatwoning met drie kamers onder de naam Huize C. Doorgaans werkten in Huize C vier vaste dames als prostituee. Een klant rekende vooraf af met een dame, de opbrengst werd vervolgens tussen mevrouw X en de betreffende dame verdeeld. X stelde dat haar dienst zich beperkte tot de verhuur van kamers en voldeed alleen BTW over het door haar ontvangen deel van de totale opbrengst. De inspecteur legde echter een naheffingsaanslag BTW op aan X voor het deel van de opbrengst dat aan de dames toekwam. Rechtbank Arnhem en in hoger beroep Hof Arnhem waren het met de inspecteur eens. Jegens een bezoeker van Huize C werd één dienst verricht die bestond uit het gelegenheid geven tot het hebben van seks met één van de dames. Die dienst werd verricht door X en dat betekende dat zij BTW verschuldigd was over de gehele aan een bezoeker in rekening gebrachte vergoeding. Een klant kwam naar Huize C om seks te hebben met een dame en het aanwezig zijn van een kamer, schoon beddengoed en handdoeken was voor de klant geen doel op zich, maar een bijkomende dienst. Het Hof handhaafde de naheffingsaanslag.

Bron:
Fida 20073500 - Hof Arnhem 28 september 2007 06/00363


Contante giften aan moskee niet aftrekbaar

Contante giften aan moskee niet aftrekbaar

Rechtbank Haarlem besliste op 11 oktober 2006 dat contante giften die aan een moskee waren gedaan voor aftrek in aanmerking kwamen. De inspecteur had het door mevrouw X in haar aangifte IB 2003 opgevoerde bedrag van € 3.500 in verband met giften aan een moskee niet in aftrek toegestaan omdat X volgens hem als bewijs van haar giften gebruik had gemaakt van vals opgemaakte kwitanties. In hoger beroep overlegde de inspecteur een brief waarin het stichtingsbestuur van de moskee desgevraagd had verklaard dat de kwitanties van X niet in de administratie waren te traceren en dat er geen jaarverslag kon worden overgelegd, omdat er geen kasboek werd bijgehouden. Hof Amsterdam heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Volgens het Hof had de inspecteur met de door hem overlegde stukken terecht gesteld dat de kwitanties van X niet als bewijs konden dienen voor de betalingen. Daar kwam nog bij dat X ter zitting nog verklaarde dat zij niet wist wie de penningmeester van de moskee was en ook niet wie de kwitanties van een paraaf had voorzien. Dit wekte volgens het Hof een zodanige twijfel aan de betrouwbaarheid van de kwitanties, dat die niet konden worden aangemerkt als schriftelijke bescheiden die de door X gestelde giften staafden in de zin van artikel 6.30, lid 1, Wet IB 2001. Het Hof concludeerde dat de inspecteur de geclaimde aftrek terecht had geweigerd.

Bron:
Fida 20073021 - Hof Amsterdam 1 mei 2007 06/00473


Autotherapie aftrekbaar

Opgezegde afspraak over autokostenaftrek moest worden afgebouwd

X reed op advies van zijn psychiater al bijna 25 jaar lang jaarlijks grote aantallen kilometers, omdat hij daar baat bij had. Het autorijden werkte voor hem als een therapie, omdat het hem structuur bood. In 1993 kwam X met de inspecteur overeen dat hij jaarlijks 40.000 km als buitengewone lasten kon opvoeren als leefkilometers. In januari 1999 werd die afspraak tot en met 31 december 2002 verlengd. Naar aanleiding van de aangifte IB 2003 stelde de inspecteur nader onderzoek in naar de afgetrokken leefkilometers. In eerste instantie weigerde hij de aftrek volledig, maar in de bezwaarfase bood hij vanwege de gang van zaken in het verleden bij wijze van compromis aan alsnog een nieuwe afspraak te maken, waarbij de aftrek in een paar jaar zou worden afgebouwd tot nihil. Dat zou in 2003 een aftrek van € 5.700 betekenen. X ging niet akkoord en ging in beroep. Rechtbank Arnhem besliste dat X in beginsel geen recht had op een aftrek van autokosten. De Rechtbank was het echter met X eens dat de jarenlange afspraken over de aftrek het vertrouwen hadden gewekt dat ook na 31 december 2002 autokilometers in aftrek konden worden gebracht. De afspraak eindigde weliswaar op 31 december 2002, maar na zo langdurig lopende afspraken mocht X erop vertrouwen dat de aftrekmogelijkheid niet ineens zou vervallen. Een brief van de inspecteur van 21 december 2004 dat de bestaande afspraak niet opnieuw kon worden gemaakt, moest worden aangemerkt als een rechtsgeldige opzegging van het opgewekte vertrouwen en het was ook redelijk dat die opzegging per indirect optrad. Vanaf 2005 gold derhalve weer de wettelijke regeling. Voor 2003 en 2004 had X wel recht op de aftrek op grond van het vertrouwensbeginsel en was het redelijk om aan te sluiten bij de afspraak die tot 31 december 2002 gold. X kon in 2003 € 7.624 aan autokilometers in aftrek brengen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20073007 - Arr.rb. Arnhem 17 april 2007 AWB06/5329


Peepshows weer volledig belast

Cultuurgehalte peepshows te laag voor het lage BTW-tarief?

Begin dit jaar veroorzaakte een uitspraak waarin Hof Amsterdam peepshows had aangemerkt als een onder het lage BTW-tarief vallende kunstvorm tot veel opschudding in de binnen- en buitenlandse media. De interesse van Advocaat-Generaal (AG) Van Ballegooijen ten aanzien van deze zaak was blijkbaar dermate groot dat hij zijn conclusie buiten de reguliere publicatiedata openbaar heeft laten maken. De AG concludeerde dat de dienst van het tegen betaling van een vergoeding toegang verlenen tot peepshows niet kan worden aangemerkt als "het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen", als bedoeld in post b.14, onderdeel d, van de bij de Wet OB behorende tabel I. Bij een peepshow is volgens de adviseur van de Hoge Raad het vermaak van de bezoeker het enige doel en is geen enkel cultureel aspect in de zin van post b.14-d te onderscheiden. De peepshow is, zoals de heer Van Ballegooijen het aanduidt, een product van de seksindustrie, aan welke sector de overheid geen subsidies toekent, en niet in concurrentie komt met producties die gesubsidieerd plegen te worden. Derhalve is volgens hem geen sprake van een culturele prestatie en is het niet aan de rechter om dit begrip dusdanig op te rekken dat het wel daaronder zou vallen. Een peepshow kan volgens de AG niet als een voorstelling als bedoeld in post b.14-d worden aangemerkt en valt, als het aan de AG ligt, niet onder het verlaagde BTW-tarief. De AG concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van Hof Amsterdam.

Bron:
Fida 20072614 - Conclusie AG 19 juli 2007 43908


Advocaat trekt 41 auto's af van belasting

Wagenpark van f 2 mln van advocatenpraktijk niet zakelijk

A bezat alle aandelen BV X, die een f.e. vormde met haar dochter BV Y. BV Y oefende een advocatenpraktijk uit, waarover A de directie voerde. Uit een boekenonderzoek bleek dat BV X grote aantallen dure personenauto's als bedrijfsmiddelen op haar balans had staan. In drie jaar ging het om 41 auto's. De auto's stonden uitsluitend aan A ter beschikking en niet aan het personeel van de advocatenpraktijk. De auto's werden doorgaans binnen enkele maanden weer doorverkocht of ingeruild. De inspecteur accepteerde de kosten die samenhingen met een BMW en een Bentley. De overige uitgaven voor de auto's waren volgens de inspecteur niet zakelijk en dus niet aftrekbaar van de winst. Hij legde bovendien naheffingsaanslagen dividendbelasting op aan BV X, omdat de uitgaven voor de auto's moesten worden aangemerkt als winstuitdelingen. BV X ging in beroep. Hof Amsterdam besliste dat de uitgaven voor de auto's gemengde uitgaven waren, uitgaven waarvan niet gezegd kon worden dat die geacht moesten worden uitsluitend voor zakelijke doeleinden te zijn bestemd. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat het door een middelgroot advocatenkantoor verwerven van een omvangrijk wagenpark in het hoogste segment - in drie jaar bedroeg het totaal van de uitgaven circa f 2 mln - als hoogst ongebruikelijk moest worden beschouwd. Vanaf 1997 waren weliswaar een aantal bedrijven uit de autobranche cliënt geworden, wierf BV X kapitaalkrachtige cliënten van die bedrijven en andere cliënten die in dure auto's waren geïnteresseerd, maar dat was op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat met de uitgaven voor de auto's in redelijkheid de zakelijke belangen van de onderneming van BV X konden zijn gediend. De omzet van de advocatenpraktijk die kon worden gerelateerd aan de autobedrijven was vrij gering en bedroeg in de drie jaren in totaal niet meer dan f 75.000. Er was sprake van een zodanige wanverhouding tussen de zakelijke belangen en de omvang van de uitgaven voor de auto's, dat die uitgaven in redelijkheid niet als zakelijk konden worden beschouwd. De uitgaven met betrekking tot de auto's konden niet ten laste van de winst worden gebracht. Er was sprake van winstuitdelingen aan A, waarbij zowel BV X als A zich van de onzakelijke bevoordelingen van A bewust moesten zijn geweest. Wel besliste het Hof tot slot dat de naheffingsaanslagen dividendbelasting moesten worden verminderd. De dividendbelasting was ten onrechte gebruteerd met niet-verhaalde dividendbelasting. Brutering was pas aan de orde wanneer de inhoudingsplichtige besloot om van haar verhaalsrecht af te zien en dat stond op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslagen nog niet vast.

Bron:
Fida 20072529 - Hof Amsterdam 23 mei 2007 04/04163
Fida 20072532 - Hof Amsterdam 23 mei 2007 04/04578


Rechter: Huis minder waard door studenten

Overlast studenten maakte aankoopprijs niet maatgevend voor WOZ-waarde

De gemeente verminderde de WOZ-waarde van de woning van mevrouw X per 1 januari 2003 na bezwaar van € 412.000 tot € 375.000. X ging in beroep en stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met de buitenproportionele overlast die zij in en om de woning ondervond van in de nabijheid wonende studenten. Op het moment van aankoop van de woning in december 2002 was daarvan geen sprake, omdat de overlast voornamelijk in de zomer voorkwam. De aankoopprijs van de woning van € 415.000 was volgens X substantieel hoger dan de waarde in het economische verkeer. Rechtbank Den Haag vond het aannemelijk dat X teveel voor de woning had betaald omdat zij bij de aankoop geen weet had van de door studenten veroorzaakte overlast in andere seizoenen dan de winter. De gemeente weersprak de overlast ook niet, maar vond die normaal in een studentenstad. De door X betaalde koopprijs was volgens de Rechtbank tot stand gekomen onder zodanige omstandigheden dat niet gezegd kon worden dat die prijs gelijk was aan de waarde in het economische verkeer van de woning. De Rechtbank stelde de waarde van de woning in goede justitie vast op € 340.000 en hield daarbij niet alleen rekening met de overlast van de studenten, maar ook met een lagere prijs per m2.

Bron:
Fida 20072411 - Arr.rb. Den Haag 29 juni 2007 AWB06/5791


Profiteren van blunder fiscus voorbij

PG vordert cassatie in belang der wet over nieuw-feit jurisprudentie

Procureur-Generaal Niessen heeft de Hoge Raad gevraagd de invulling van de voorwaarden waaronder navordering kan plaatsvinden aan te passen. De vordering tot cassatie in het belang der wet heeft betrekking op een uitspraak van Hof Den Bosch waarin was beslist dat een onterechte hypotheekrente-aftrek van € 3,4 mln niet navorderbaar was. Aan de 67-jarige X, die zijn aangifte IB 2001 met behulp van een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde diskette had ingediend, was een aanslag opgelegd op basis van een bedrag van € 3419635.00 aan rente en kosten van de eigen woning in plaats van € 3.419 aan rente en kosten van de eigen woning en een restantschuld van € 63.502. Dit resulteerde in een belastbaar inkomen van negatief € 3.390.453. De heer Niessen heeft in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet voorop gesteld dat de jurisprudentie met betrekking tot nieuw feit en ambtelijk verzuim moet worden bijgesteld in gevallen waarin maatschappelijk ongewenste resultaten dreigen op te treden. Volgens de heer Niessen moet artikel 16, lid 1, AWR aldus worden uitgelegd dat navordering mogelijk is wanneer de aanslag is opgelegd in overeenstemming met een aangifte waarin de belastingplichtige anders dan opzettelijk een fout heeft gemaakt waardoor de aanslag zoveel voordeliger voor de belastingplichtige is dan deze bij een juiste toepassing van de wet zou zijn geweest dat geen redelijk denkend mens - mede gelet op de aard van die fout - kan menen dat de aanslag op het juiste bedrag is vastgesteld.

Bron:
Fida 20072373 - Conclusie AG 14 juni 2007 CW2510


Toch fiscaal voordeel bewoners Vinkenslag

Vinkenslagondernemers ook in 2003 nog belast naar 3%-tarief

Ondernemers van het woonwagencentrum Vinkenslag in Maastricht hadden sinds 1993 zeer voordelige afspraken over de heffing van BTW en IB op grond waarvan zij in totaal slechts 3% belasting betaalden. De Belastingdienst beëindigde de overeenkomst eind 2002 met ingang van 1 januari 2003. Na overleg werd de overeenkomst echter op grond van een beroep van de Vinkenslag-ondernemers op opgewekt vertrouwen, verlengd. Naar aanleiding van de commotie die in de media en het parlement over deze en andere zogenoemde contra legem-afspraken ontstond, legde de Belastingdienst over 2003 aanslagen IB, WAZ en Zfw-zelfstandigen op aan handelaars in (schade)auto's van de Vinkenslag. X en Y gingen in beroep. Rechtbank Breda verklaarde hun beroepen gegrond. Volgens de Rechtbank was de Vinkenslagregeling verbindend en mochten de Vinkenslagondernemers op voortzetting van die regeling in het jaar 2003 vertrouwen. Volgens de Rechtbank was de overeenkomst niet in strijd met de goede zeden of openbare orde naar de situatie en de kennis die bestonden op het tijdstip dat de overeenkomst werd gesloten, dus naar de situatie en kennis van mei 2000. De Rechtbank concludeerde dat van deze vaststellingsovereenkomst niet kon worden gezegd dat deze zozeer in strijd was met hetgeen de wet bepaalde met betrekking tot de heffing van IB, PVV, BTW en premie WAZ dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen. De Rechtbank verklaarde de beroepen van X en Y gegrond en verminderde de aan X opgelegde aanslag IB 2003 naar een te betalen bedrag van € 454 en die van Y naar een te betalen bedrag van € 6.806. De aanslagen Zfw-zelfstandigen en WAZ-premie over 2003 werden van de beide ondernemers vernietigd.

Bron:
Fida 20072166 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2885
Fida 20072167 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2897
Fida 20072168 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2898
Fida 20072169 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2886
Fida 20072170 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2887
Fida 20072171 - Arr.rb. Breda 12 juni 2007 AWB06/2899


Zieke mag joint coffeeshop niet meer aftrekken

Uitgaven voor cannabis bij coffeeshop geen aftrekbare ziektekosten

X onderging vanaf 1990 meerdere malen chemotherapie in verband met non-Hodgkin lymfomen. In juli 2001 verklaarde een arts dat X baat had bij het gebruik van cannabis. X gebruikte geen cannabis die door apotheken werd verstrekt, omdat hij die te duur en van slechte kwaliteit vond. Hij kocht cannabis bij een tweetal coffeeshops. X beschikte over "mediwietpasjes", afgegeven door die coffeeshops, waarmee hij korting kreeg op de normale verkoopprijs. In zijn aangifte IB 2003 bracht X de uitgaven voor cannabis (circa € 4.000) in aftrek als ziektekosten. Rechtbank Haarlem was het daar mee eens. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Arnhem besliste dat er gelet op de ziektegeschiedenis van X en de medische verklaringen voldoende aanleiding was om aan te nemen dat aan X cannabis was voorgeschreven als geneesmiddel. De middelen waren echter verkregen via een zelf gekozen verkoopkanaal. Er was dan ook geen sprake van een op voorschrift van een arts verstrekt geneesmiddel. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank. De uitgaven voor de cannabis waren niet aftrekbaar.

Bron:
Fida 20071803 - Hof Amsterdam 19 maart 2007 P06/00291


Aanslag BV mag toch op papier

Geen boete voor ondernemer die toch papieren aangifte deed

X en zijn echtgenote Y exploiteerden ieder een onderneming en waren sinds 1 januari 2005 verplicht om elektronisch aangifte te doen voor de IB en de BTW. Begin 2005 verzocht X de inspecteur toch meerdere malen om papieren aangiften. Hij beschikte wel over een computer, maar niet over toegang tot internet en wilde niet alleen voor het doen van aangifte genoodzaakt worden om toegang tot het internet te regelen. De inspecteur antwoordde dat X en Y geen ontheffing voor het doen van elektronisch aangifte kregen, omdat zij over een computer beschikten. X en Y dienden uiteindelijk hun aangiften BTW op papier in met oude formulieren. De inspecteur stuurde de aangiften retour. Daarna ontvingen X en Y naheffingsaanslagen BTW met verzuimboeten voor het niet-doen van aangifte. X en Y gingen in bezwaar. De inspecteur vernietigde de naheffingsaanslagen, maar de verzuimboeten bleven in stand. X en Y gingen in beroep. Rechtbank Arnhem stelde vast dat uit artikel 20, lid 3, Uitv.reg. AWR volgde dat als criterium voor het verlenen van een ontheffing gold dat het langs elektronische weg aangifte doen onredelijk bezwarend was voor de administratieplichtige. De Rechtbank achtte zich niet gebonden aan het beleid van de Belastingdienst dat er op neerkwam dat daarvan alleen sprake was als de belastingplichtige geen computer had. Gezien de beperkte omvang van hun ondernemingen en de daaraan gekoppelde (relatief) beperkte administratieplicht, kon volgens de Rechtbank niet van X en Y worden verwacht dat zij investeerden in kennis op het gebied van computers en internet, uitsluitend om aan hun elektronische aangifteverplichting te kunnen voldoen. De Rechtbank vond het doen van elektronische aangifte voor X en Y onredelijk bezwarend en besliste dat de inspecteur ontheffing had moeten verlenen. De papieren aangiften moesten worden aangemerkt als de vereiste aangiften. De Rechtbank vernietigde de verzuimboeten wegens het niet doen van de vereiste aangiften.

Bron:
Fida 20071439 - Arr.rb. Arnhem 25 april 2007 AWB06/2085


"Zwartspaarders" klagen Van Lanschot-bank aan

Draaiboek "Bank Zonder Naam" deels openbaar gemaakt

Nadat het zogenoemde rekeningenproject in 2003 was afgerond en het project buitenlands vermogen van de Belastingdienst met ingang van 1 januari 2007 werd beëindigd, bleek dat de Belastingdienst recentelijk opnieuw veel belastingplichtigen had aangeschreven van wie de Belastingdienst vermoedt dat zij in het bezit zijn van buitenlands vermogen. Uit de dagbladpers vernamen wij dat het nieuwe onderzoek naar buitenlandse bankrekeningen was ingesteld, omdat gegevens van rekeninghouders van Van Lanschot Bankiers in Luxemburg in handen zijn gekomen van de Nederlandse Belastingdienst. Naar aanleiding van het verzoek van Fiscaal up to Date om openbaarmaking van onder meer het draaiboek, de werkinstructies en beleidsafspraken met het Openbaar Ministerie, heeft de staatssecretaris thans een deel van het draaiboek ter beschikking gesteld. Het nieuwe in 2007 gestarte project heeft de naam "Bank zonder naam" gekregen en daarvoor zijn naast een draaiboek, geen andere richtlijnen of afspraken in documenten vervat. Volgens het draaiboek en de bijbehorende brief zijn de gegevens waarover de Belastingdienst beschikt, verkregen middels internationale gegevensuitwisseling. Eén van de criteria waaraan een post moet voldoen om binnen het project "Bank Zonder Naam" voor strafrechtelijke aanpak in aanmerking te komen, is dat sprake is van een rekeningsaldo van ten minste f 1 mln.

Bron:
Fida 20071382 - Min. v. Fin. 23 april 2007 DGB2007-01554


Hilversum gevoelloos bij straffen 82-jarige

Hartklachten hoogbejaarde eega maakten parkeernaheffing ongedaan

De 82-jarige X en zijn 89-jarige vrouw parkeerden hun auto op 7 december 2005 in het centrum van Hilversum. X kocht een kaartje, maar kreeg een naheffingaanslag parkeerbelasting van € 48,60 omdat de auto om 17.03 uur nog stond geparkeerd, terwijl de eindtijd van het kaartje om 16.42 uur was verstreken. X ging in bezwaar en stelde dat sprake was geweest van overmacht. Hij was te laat bij de auto teruggekomen, omdat zijn vrouw in de winkel last kreeg van haar hart waardoor zij moest gaan zitten, ook omdat zij moeizaam liep. De gemeente wees het bezwaar af, en stelde dat X willens en wetens het risico had genomen te parkeren op een parkeerplaats waar met het inwerpen van € 1 een beperkte parkeerduur werd gekocht, terwijl hij wist dat zijn vrouw moeilijk ter been was en last had van hartkloppingen. X ging in beroep. Rechtbank Amsterdam besliste dat X buiten zijn schuld de verschuldigde parkeerbelasting niet had kunnen voldoen omdat sprake was van een overmachtsituatie. Hierbij vond de Rechtbank van belang dat het de eerste keer was dat de vrouw van X buitenshuis dergelijke klachten had gekregen. De Rechtbank vond het begrijpelijk dat de aandacht van X in de eerste plaats uitging naar zijn vrouw en dat hij er op dat moment niet aan had gedacht opnieuw geld in de parkeermeter te werpen. De Rechtbank vernietigde de naheffingsaanslag.

Bron:
Fida 20071368 - Arr.rb. Amsterdam 26 maart 2007 AWB06/3618


Onmin met fiscus kost altijd geld

Ook geen integrale kostenvergoeding bij verdragschending

BV A had ten behoeve van haar DGA X een pensioenregeling getroffen. Op 31 december 1998 werd de feitelijke leiding van BV A verplaatst naar België. X woonde toen inmiddels ook in België. In 1999 werd de pensioenverplichting overgedragen aan de in België gevestigde NV B, die tot de in artikel 11b Wet LB genoemde categorieën van verzekeraars behoorde. De inspecteur merkte de overdracht aan als een fictieve afkoop als bedoeld in artikel 11c, lid 2, Wet LB. X ging in beroep. Terwijl de beroepsprocedure bij Hof Den Bosch liep, besliste de Hoge Raad in een andere zaak dat Nederland bij pensioenoverdrachten als de onderhavige geen heffingsrecht had, omdat de heffingsfictie van artikel 11c, lid 2, Wet LB in strijd was met belastingverdragen. De inspecteur concludeerde daarom ter zitting van 11 februari 2004 dat de aanslag van X moest worden verminderd. X was het daar vanzelfsprekend mee eens, en verzocht vervolgens om een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Hof Den Bosch vond dat sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, BPB, die rechtvaardigden dat van de forfaitaire proceskostenvergoeding werd afgeweken. Het Hof kende X een vergoeding toe van € 9.075. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat niet reeds het feit dat een onjuist bevonden standpunt van het betrokken bestuursorgaan in strijd was met bepalingen van gemeenschapsrecht, meebracht dat sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, BPB. Ditzelfde gold volgens de Hoge Raad met betrekking tot een onjuist bevonden standpunt van een bestuursorgaan dat in strijd was met een bilateraal belastingverdrag, ook als dat standpunt in strijd was met de goede trouw als bedoeld in het Verdrag van Wenen. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het BPB was volgens de Hoge Raad reden als het bestuursorgaan het verwijt trof dat het een beschikking of uitspraak gaf, terwijl op dat moment duidelijk was dat die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden. In dit geval kon de inspecteur volgens de Hoge Raad geen verwijt worden gemaakt, omdat het pas door de arresten van de Hoge Raad van 23 januari 2004 een uitgemaakte zaak was dat het standpunt van de inspecteur onhoudbaar was. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verminderde de proceskostenvergoeding naar € 161.

Bron:
Fida 20071270 - Hoge Raad 13 april 2007 41235


Boete fiscus bij beursgang NH

Pro rata kostenaftrek bij op de beurs brengen van bestaande en nieuwe aandelen

De Spaanse familie A had een belang van meer dan 50% in de aan de Madrileense effectenbeurs genoteerde B SA. B SA en de familie A hadden respectievelijk 18,85 en 81,15% van de aandelen C SA. C SA hield zich wereldwijd bezig met de exploitatie van hotels en onroerend goed. In het najaar van 1997 werd besloten om de uitbreiding van hotelactiviteiten in Latijns-Amerika onder te brengen in een tussenholding in Nederland om hiermee nieuw kapitaal aan te trekken. In verband hiermee richtten B SA en C SA in 1997 NV X op. Door middel van een beursgang van NV X werden financiële middelen aangetrokken. Op 24 maart 1998 werden het maatschappelijk kapitaal van NV X verhoogd tot f 245 mln, werden tegen uitreiking van 9.980.000 nieuwe aandelen in NV X liquide middelen, vorderingen op deelnemingen en deelnemingen ingebracht en werd besloten tot het doen van een openbaar aanbod van 1.750.000 nieuwe aandelen NV X. Het openbare bod werd begeleid door een consortium van banken. In april 1998 werden in totaal 4.151.319 aandelen in NV X op de effectenbeurs van Madrid geïntroduceerd. Het ging om 1.750.000 door NV X nieuw uitgegeven aandelen in NV X en 2.401.319 ten tijde van de beursgang reeds bestaande aandelen in NV X. Terzake van de oprichting, de kapitaaluitbreiding en de beursgang waren kosten gemaakt. Het ging met name om kapitaalsbelasting, orgaankosten en deelnemingskosten. Tussen de inspecteur en NV X ontstonden diverse (materiële en formele) geschillen over de aftrek van kosten terzake van het op de beurs brengen van bestaande en nieuwe aandelen NV X. Het Hof achtte niet meer kosten aftrekbaar dan konden worden toegerekend aan de nieuwe aandelen. Het Hof verwierp verder de stelling van de inspecteur dat de bewijslast moest worden "omgekeerd", omdat de tussenholding niet aan haar informatie- en administratieverplichtingen zou hebben voldaan. Tot slot kende het Hof aan de belanghebbende het recordbedrag van EUR 105.000 als vergoeding voor de kosten van de bezwaarfase toe.

Bron:
Fida 20063737 - Hof Amsterdam 25 oktober 2006 0301987


Drugssmokkel is aftrekbaar

Inkoopkosten drugs volgens AG aftrekbaar bij ontbreken veroordeling

X was strafrechtelijk veroordeeld voor het binnen Nederland brengen van verdovende middelen. Naar aanleiding van een onderzoek van de FIOD legde de inspecteur een ambtshalve aanslag op naar een belastbaar inkomen van ruim f 7,6 mln met een boete van 100%. X ging in beroep. Hof Arnhem besliste dat de inspecteur het voordeel niet in redelijkheid had bepaald, omdat hij was uitgegaan van een te hoge marge per kg. Het Hof verminderde het door de inspecteur berekende voordeel met f 4 mln. De staatssecretaris ging in cassatie en stelde dat het Hof er ten onrechte van uit was gegaan dat de inkoopwaarde van drugs aftrekbaar was en het Hof daarnaast ten onrechte kosten in aftrek had gelaten. Naar aanleiding hiervan heeft AG Overgaauw een conclusie uitgebracht. De AG concludeerde dat uit de wetsgeschiedenis bleek dat de wetgever ook had beoogd de inkoopprijs van drugs van aftrek uit te sluiten. Daarbij was volgens de AG wel vereist dat die inkoopprijs samenhing met inkomsten uit een misdrijf waarvoor de belastingplichtige bij onherroepelijke uitspraak strafrechtelijk was veroordeeld. Daarvan was in dit geval geen sprake: X was niet veroordeeld voor drugshandel. Met de misdrijven waarvoor hij wel was veroordeeld, hing de inkoopprijs volgens de AG niet samen. De AG adviseerde de Hoge Raad het beroep in cassatie van de staatssecretaris ongegrond te verklaren.

Bron:
Fida 20070928 - Conclusie AG 28 februari 2007 43036


Appartementen niet langer BTW-lokker

Tijdelijke verhuur appartementen aan expats belast met BTW

BV X nam in 2000 een pand in gebruik dat in haar opdracht was gebouwd. Het pand bestond uit zes appartementen, die gemeubileerd en gestoffeerd werden verhuurd aan bedrijven, die ze gebruikten om er tijdelijk in Nederland verblijvende werknemers te huisvesten. In het gebouw was geen receptie of andere gemeenschappelijke ruimte aanwezig. BV X bracht de BTW die bij de bouw in rekening was gebracht in aftrek. De inspecteur accepteerde dat niet. BV X ging in beroep. Hof Den Bosch besliste dat BV X de voorbelasting op de bouw kon aftrekken. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het Hof de accommodatieverstrekking door BV X terecht had vergeleken met een hotelbedrijf. Volgens de Hoge Raad had het EG-Hof in het Blasi-arrest beslist dat de term "sectoren met een soortgelijke functie" in artikel 13, B, letter b, punt 1, Zesde BTW-Richtlijn, waarop artikel 11, lid 1, letter b, punt 2, Wet OB was gebaseerd, ruim moest worden uitgelegd. De Hoge Raad verwierp de stelling van de staatssecretaris dat de verstrekking van accommodatie gepaard moest gaan met het verrichten van bijkomende diensten die bij een hotelbedrijf essentieel waren, zoals het schoonmaken van de kamers, het regelen van bed- en badlinnen en het bieden van een ontbijtgelegenheid. Volgens de Hoge Raad ging het er veeleer om dat het verblijfsruimten betrof die waren toegerust om daar kort in te verblijven, zonder dat de tijdelijke bewoner werd belast met de zorg voor de inventaris. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de staatssecretaris

Bron:
Fida 20070250 - Hoge Raad 26 januari 2007 41917


Internist probeert kosten verkrachting fiscaal op te voeren

Geen aftrek schadevergoeding patiënte en aan advocaat betaalde bedragen

Internist X kwam tijdens zijn beroepsuitoefening in contact met mevrouw Y. In 1990 droeg X de behandeling van Y wegens de ontstane vriendschapsband over aan een collega. Daarna besloot X om Y in zijn gezin op te nemen. Na een jaar verliet zij de woning van X, maar het contact tussen hen bleef nog wel bestaan. Daarbij kwam het tot een seksuele relatie, die tot oktober 1995 voortduurde. Y stelde later dat sprake was geweest van seksueel misbruik. Dat resulteerde in een tuchtrechtelijke procedure. Vervolgens spande Y ook een civiele procedure aan, die er toe leidde dat X een schadevergoeding moest betalen. In zijn aangifte IB 1999 bracht X de schadevergoeding van f 110.000 en de advocaatkosten van beide procedures in aftrek. De inspecteur accepteerde alleen de advocaatkosten van de tuchtrechtprocedure. Hof Leeuwarden was het daarmee eens. Indien een arts zich onrechtmatig gedroeg door een seksuele verhouding aan te gaan met een patiënt, kon bezwaarlijk worden volgehouden dat dit plaatsvond binnen de kaders van een geneeskundige behandelingsovereenkomst tussen arts en patiënt. Slechts de advocaatkosten van de tuchtrechtprocedure waren aftrekbaar. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof zonder nadere motivering bevestigd (art. 81 Wet RO).

Bron:
Fida 20070084 - Hoge Raad 12 januari 2007 43177


Vrij van belasting door fout

Foute aftrek hypotheekrente van € 3.419.635 niet navorderbaar

De 67-jarige X diende zijn aangifte IB 2001 in door middel van een door de Belastingdienst ter beschikking gestelde diskette. De aanslag werd opgelegd naar een belastbaar inkomen van negatief € 3.390.453. Toen de inspecteur er achterkwam dat er een fout was gemaakt, legde hij over 2001, 2002 en 2003 een navorderingsaanslag op. Op het beroep van X heeft Hof Den Bosch beslist dat de inspecteur niet over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte omdat de opgave van de aftrekbare hypotheekrente van € 3.419.635 in plaats van € 3.419 niet als een schrijf- of tikfout van de inspecteur kon worden aangemerkt, maar voortvloeide uit een door X foutief gedane opgave. Vervolgens had de inspecteur volgens het Hof bij het regelen van de aanslag een fout begaan, omdat hij wist of had kunnen weten dat X de hypotheekrente foutief had opgegeven en de inspecteur dit bij het regelen van de aangifte niet had gecorrigeerd. Het feit dat de Belastingdienst er om haar moverende redenen voor had gekozen grote aantallen aangiften geautomatiseerd te regelen, zonder een geval als dat van X voor handmatige beoordeling te selecteren, kon X volgens het Hof niet worden tegengeworpen. De gevolgen van het bewust toepassen van deze werkwijze kwamen volgens het Hof voor de rekening van de inspecteur. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag.

Bron:
Fida 20070464 - Hof Den Bosch 25 augustus 2006 04/02881


Peepshow is kunstvorm

Verlaagd BTW-tarief voor toneelvoorstellingen gold ook voor peepshows

BV X hield zich bezig met het gelegenheid geven tot het bekijken van seks(video)films in videocabines en het verlenen van toegang tot peepshows in éénpersoonscabines. BV X stelde dat op de omzet van de peepshows het lage BTW-tarief van artikel 9, lid 2, onderdeel a, Wet OB juncto post b.14, onderdeel d, van de bij de Wet OB behorende tabel I van toepassing was. Volgens BV X moesten de peepshows worden aangemerkt als shows in de zin van de in categorie 7 van bijlage H bij de Zesde BTW-Richtlijn genoemde goederen en diensten. Rechtbank Haarlem besliste dat het verlaagde BTW-tarief niet van toepassing was, omdat shows niet waren overgenomen in post b.14, onderdeel d. BV X ging in hoger beroep. Hof Amsterdam besliste dat het verlenen van toegang tot peepshows naar zijn aard het verlenen van toegang tot een toneelvoorstelling vormde. Daaraan deed volgens het Hof het (erotische) karakter van de voorstelling niet af. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20070404 - Hof Amsterdam 22 januari 2007 06/00175


Emissiekosten aandelen aftrekbaar

AG bepleit aftrekbaarheid van de kosten van aandelenemissie

Naar aanleiding van het door de staatssecretaris tegen een uitspraak van Hof Amsterdam uit 2006 ingestelde beroep in cassatie heeft Advocaat-Generaal Wattel een conclusie genomen. De heer Wattel concludeerde dat het voor de aftrek van emissiekosten relevante criterium is of:

In het eerste geval lopen de provisies over het vermogen van de emittent en zijn zij aftrekbaar als ondernemingskosten. In het tweede geval ziet de emittent af van storting van een deel van het kapitaal in ruil voor zekerheid van plaatsing van de aandelen en zijn de emissiekostenprovisies een niet-aftrekbare emissiekorting die de storting van kapitaal verlaagt. Welke van de twee gevallen aan de orde is, hangt af van de uitleg van overeenkomsten en prospectussen en is volgens de AG daarom in cassatie maar beperkt toetsbaar. De AG concludeerde tot ongegrondverklaring van het principale beroep in cassatie van de staatssecretaris.

Bron:
Fida 20070352 - Conclusie AG 19 december 2006 43220


Advocaatkosten aftrekbaar bij arbeidsconflict

AG bepleit wetswijzing voor aftrek van advocaatkosten bij arbeidsconflict

In verband met zijn ontslag wegens wanprestatie schakelde X een advocaat in. In zijn aangifte IB 2002 voerde hij de advocaatkosten op als negatief loon. De inspecteur wees de aftrek af. Hof Leeuwarden verwierp de stelling van X dat het vervallen van de mogelijkheid om beroepskosten af te trekken onder de Wet IB 2001 in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat de kosten wel belastingvrij konden worden vergoed door de werkgever. Naar aanleiding van het door X ingestelde beroep in cassatie heeft Advocaat-Generaal (AG) Van Ballegooijen bij deze zaak en in vier andere (niet eerder voor publicatie vrijgegeven) verwante zaken een conclusie genomen. De AG concludeerde dat de werknemer die kosten van rechtsbijstand in verband met een arbeidsconflict had gemaakt, werd gediscrimineerd. Het belastingvrijdom van de onbelaste vergoeding van kosten van rechtsbijstand enerzijds en de uitsluiting van aftrek anderzijds kan volgens de AG niet worden gerechtvaardigd. De AG besloot dat de reparatie van deze ondeugdelijke wetgeving moest worden overgelaten aan de wetgever, omdat het niet aan de rechter, maar de wetgever is om in een rechtstekort te voorzien.

Bron:
Fida 20064127 - Conclusie AG 28 november 2006 41000