Dagbladen

Achtergronden bij artikelen in de dagbladen

DatumDagbladArtikel
2010 
13-08-2010TelegraafBelastingrechter vermindert zelf waarde van zeldzame Chinese pot
07-08-2010TelegraafFiscus plukt Terror Jaap
01-07-2010TelegraafPolitie weigert fiscus kentekens
30-06-2010TelegraafStraf voor bemiddelaar zwartspaarders
12-06-2010TelegraafStreep door heffingsrente
02-06-2010TelegraafRechter tikt McDonald's op vingers
06-04-2010TelegraafBetaalde tipgever zwart geld klikte over Rabobank
02-04-2010TelegraafBelastingfraudeurs minder vaak gedaagd in strafzaken
30-03-2010TelegraafWelwillende sekshuisbaas heeft streepje voor bij fiscus
19-03-2010TelegraafGluren naar seksfilmpjes hoger belast
21-02-2010TelegraafExtra hoge korting winkelverkoopsters belast
20-02-2010TelegraafBelasting op huurauto ligt onder vuur
20-02-2010TelegraafWOZ-voordeel bij FC Twente
11-02-2010TelegraafBehandel alle WOZ-bezwaren
06-02-2010TelegraafTipgever zwartspaarders: echte held of sluwe boef
05-02-2010TelegraafRechter: Speurwerk naar zwartspaarders gebrekkig
04-02-2010VolkskrantZwartspaarders zijn nationale zondebokken
03-02-2010VolkskrantDe Jager wil Duitse spaarderslijst zien
14-01-2010De StandaardHet kan nog beter/erger
2009 
04-11-2009TelegraafFiscale boete AZ van tafel
30-10-2009TelegraafBedrijfsstoel in stadion fisaal gunstig
06-10-2009TelegraafFiscus mist miljoenen aan drugsgelden
28-08-2009TelegraafTopman PWS kocht jacht met fraudegeld
15-08-2009TelegraafKritiek belastingexperts gebruik fiscale dwangsom
14-08-2009TelegraafTrustkantoor met billen bloot
02-07-2009TelegraafSpoedwet tegen afkoop lijfrente
20-06-2009TelegraafStormloop verwacht op afkopen lijfrentepolis
10-06-2009TelegraafRechter geeft moskee belastingvoordeeltje
24-05-2009TelegraafSchenking crimineel onbelast
11-05-2009TelegraafFiscus moet geheime deals met multinationals tonen
08-05-2009TelegraafAankopen van rijksmonument stuk goedkoper
15-04-2009TelegraafSenator Russell is schuldig aan kunstsmokkel
09-04-2009TelegraafMonument fiscaal aantrekkelijk
06-04-2009TelegraafFiscus hoeft niet in Ferrari te rijden
05-04-2009TelegraafWoz lager dankzij foto's
20-03-2009TelegraafForse nota fiscus voor dga
13-03-2009TelegraafFraudeur wil baan bij fiscus terug
03-03-2009TelegraafAfscheidsborrel als aftrekpost
25-02-2009TelegraafOndernemer mag bruilof als bedrijfsfeest aftrekken
03-02-2009TelegraafFiscus geeft extremisten geld terug
31-01-2009NRC Liever de koopman spelen dan dominee
30-01-2009TelegraafMeewerkende partner kan zelfstandigenaftrek krijgen
10-01-2009NRC Fiscus wil kinky kleding niet belasten
10-01-2009TelegraafFiscus blundert weer met aftrek
09-01-2009TelegraafFiscus vergeet successierecht
2008 
18-12-2008TelegraafUitleg gevraagd over korting fiscus prostituees
18-12-2008TelegraafKorting sekswerker boeit werknemer
17-12-2008TelegraafFiscus ontziet prostituees
12-11-2008TelegraafHoge Raad eigenwijs langs adviseur
13-10-2008TelegraafRuzie met fiscus om jackpot
05-10-2008TelegraafAanslag fiscus 17 jaar na overlijden
26-08-2008TelegraafVader krijgt BPM als boete bij noodrit
19-08-2008TelegraafCoffeeshophouder vrijgesproken van witwaspraktijken
14-08-2008TelegraafFoute aftrek goed
11-08-2008TelegraafOZB betalen voor pand in aanbouw
04-07-2008TelegraafParkeerautomaat te laat wakker
24-06-2008TelegraafWijn over grens kopen extra belast
07-06-2008TelegraafGrenswerker krijgt Belgische aftrek
29-05-2008TelegraafFiscus wint van free record shop
10-05-2008TelegraafAderlating schatkist door miljoenenaftrek emissies
03-05-2008TelegraafFiscus moet draaiboek voor opsporen zwart geld tonen
20-03-2008TelegraafHogere belasting voor kampeerders
14-03-2008TelegraafGemeenteblunder WOZ-aanslag
23-02-2008TelegraafBurgers haken na controles af
11-02-2008TelegraafGeen bewijs tegen zwartspaarders
10-02-2008TelegraafModezaak dupe fiscus
06-02-2008Parool Rotte grasmat levert geld op
05-02-2008Telegraaf'Plaggenhut' ArenA krijgt korting fiscus
03-02-2008TelegraafVader beboet na joyriden zoon
24-01-2008TelegraafBoete fiscus na 'proefrit'
2000-2007 

Belastingrechter vermindert zelf waarde van zeldzame Chinese pot

Rechtbank vermindert successiewaarde Chinese pot naar € 10 mln

Mevrouw X en haar zus en broer waren de enige erfgenamen van hun in 2003 overleden vader. Tot de nalatenschap van de vader behoorde een zeldzame Chinese pot, die de erfgenamen voor het successierecht aangaven voor € 12.500. Nadat de pot op 12 juli 2005 bij een veiling werd verkocht voor een prijs van € 23 mln, dienden de erfgenamen in november 2005 een suppletie-aangifte in, waarbij zij aan de pot een waarde toekenden van € 100.000. De inspecteur legde in maart 2008 een navorderingsaanslag op waarbij hij uitging van een waarde van de pot van € 23 mln. De erfgenamen gingen in beroep en bepleitten een waarde van € 100.000. Zij overlegde daarbij een deskundigenbericht van dr. Clare McAndrew. Rechtbank Den Haag was het met de erfgenamen eens dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de waarde van de pot op de overlijdensdatum gelijk was aan de 20 maanden later in juli 2005 gerealiseerde verkoopprijs van de pot van € 23 mln. De erfgenamen hadden volgens de Rechtbank op hun beurt ook niet aannemelijk gemaakt dat de pot een waarde in het economische verkeer van € 100.000 had. Op grond van door de inspecteur opgevraagde informatie bij het Instituut Collectie Nederland waaruit bleek dat de waarde van de pot rond de overlijdensdatum ongeveer € 12 mln zou zijn geweest en het deskundigenbericht van dr. Clare McAndrew stelde de Rechtbank de waarde van de Chinese pot op overlijdensdatum vast op € 10 mln. De Rechtbank vond tot slot dat mevrouw X recht had op een vergoeding van de werkelijke kosten van het beroep, omdat de inspecteur tijde van de uitspraak op bezwaar over informatie beschikte waaruit bleek dat de waarde van pot op de overlijdensdatum aanzienlijk lager was dan de eerder door hem vastgestelde waarde van € 23 mln. Door dit bedrag in de uitspraak te handhaven, had de inspecteur een standpunt ingenomen waarvan hij wist dat het in beroep geen stand zou houden. De Rechtbank kende een proceskostenvergoeding toe van € 3.300.

Bron:
Fida 20104047 (Arr.rb. Den Haag 19 mei 2010 09/6595)


Fiscus plukt Terror Jaap

Loonheffing over hoofdprijs van deelnemer aan televisieprogramma

X nam deel aan een televisieprogramma van omroep BV A en ondertekende daartoe in mei 2007 een overeenkomst van opdracht. X nam met de andere deelnemers aan het televisieprogramma zijn intrek in een villa, waar zij permanent met televisiecamera's werden gevolgd. De deelnemer die het langst in het huis bleef, maakte kans op het winnen van prijzen. Voor iedere maand dat een deelnemer in het huis verbleef, ontving hij een bedrag van € 1.000 waarop loonheffingen werden ingehouden. De omroep had huisregels opgesteld en een programmaboek met spelregels, waarvan de deelnemers zich moesten houden. X won uiteindelijk het programma en ontving in mei 2008 de hoofdprijs van € 1.351.000. De omroep hield ook op de hoofdprijs loonheffingen in. X ging in beroep. Rechtbank Den Haag besliste dat was voldaan aan de drie elementen voor aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen X en de omroep. Het stond vast dat X tot het persoonlijk verrichten van arbeid verplicht was. De omroep had verregaande instructiebevoegdheden en kon X verzoeken het huis te verlaten als hij zich niet aan de instructies hield. Er was volgens de Rechtbank sprake van een gezagsverhouding tussen X en de omroep. De maandelijkse vergoeding van € 1.000 netto, die werd betaald ter vervanging van gederfde inkomsten en buiten het huis doorlopende kosten, kon volgens de Rechtbank ook niet anders worden gezien dan als tegenprestatie voor de bedongen arbeid ofwel als loon. Er was volgens de Rechtbank sprake van een dienstbetrekking tussen de omroep en X. De mogelijkheid om prijzen en uiteindelijk de hoofdprijs te kunnen winnen, vormde volgens de Rechtbank een wezenlijk onderdeel van de dienstbetrekking. Door zijn deelname aan het programma maakte X kans op het winnen van de hoofdprijs. De hoofdprijs vond volgens de Rechtbank zijn grond zozeer in de dienstbetrekking dat het voordeel als daaruit genoten moest worden aangemerkt. De hoofdprijs was loon uit dienstbetrekking. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20104015 (Arr.rb. Den Haag 7 juli 2010 AWB091452)


Politie weigert fiscus kentekens

Politie verstrekt kentekengegevens niet zonder meer aan Belastingdienst

De Belastingdienst heeft recent een aantal politiekorpsen benaderd met het verzoek om door de politie verzamelde kentekengegevens te verstrekken voor de controle op de naleving van fiscale regels door leaserijders. Uit een brief van de Raad van Korpschefs van de politie blijkt dat die zich op het standpunt stelt dat de politiekorpsen in beginsel niet aan dat verzoek om gegevensverstrekking kunnen voldoen. De uitputtende regeling voor gegevens- en informatieverwerking en -verstrekking in de Wet politiegegevens gaat voor op de inlichtingenplicht van artikel 55 AWR als de kentekengegevens zijn vergaard in verband met het toezicht op de naleving van de wegenverkeerswetgeving of bijvoorbeeld de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde. Een uitzondering geldt als de politie de kentekengegevens heeft vergaard in verband met haar toezichthoudende bevoegdheden op grond van de Wet MRB en de Wet BZM. In dat geval is het doel namelijk hetzelfde als het doel van de Belastingdienst.

Bron:
Fida 20103335 (diversen 1 juni 2010)


Straf voor bemiddelaar zwartspaarders

Openen van coderekeningen leidde tot medeplegen onjuiste aangiften

X trad op als tussenpersoon tussen beleggers en buitenlandse banken. Hij was zijn relaties behulpzaam bij het openen van beleggingsrekeningen, en ontving daarvoor provisie van de bank. Daarnaast gaf hij zijn relaties uitleg over beleggingsproducten en verwees hen waar nodig door naar een fiscalist of financieel adviseur. Uit strafrechtelijk onderzoek was gebleken dat X voor een aantal van zijn relaties ook gecodeerde buitenlandse bankrekeningen had geopend. Op die manier werd onder meer zwart geld buiten het zicht van de fiscus gehouden. X werd hierop strafrechtelijk vervolgd wegens het medeplegen van het doen van onjuiste aangiften IB. Rechtbank Roermond sprak X daarvan vrij, omdat niet was gebleken dat X enige bemoeienis had gehad met het doen van valse of onjuiste aangiftes door zijn relaties. De officier van justitie ging echter met succes in hoger beroep. Hof Den Bosch besliste dat X door zijn handelen opzettelijk de gelegenheid verschafte en behulpzaam was geweest bij het buiten het zicht van de fiscus houden van banksaldi en ontvangen rente, met het kennelijke doel om die gegevens ook bij belastingaangiften verborgen te kunnen houden. X had relaties die aangaven over zwart geld te beschikken laten weten dat dat geen enkel probleem was en dat hij het zo kon regelen dat de gelden buiten het zicht van de fiscus bleven. X was volgens het Hof dan ook opzettelijk behulpzaam geweest bij het onjuist en/of onvolledig doen van de belastingaangiften door zijn relaties. Het Hof veroordeelde X tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar, een werkstraf van 240 uur en een boete van € 10.000.

Bron:
Fida 20103297 (Hof Den Bosch 22 juni 2010 20-004621-08)


Streep door heffingsrente

Heffingsrente vóórdat voordeel was genoten was buitensporige last

Rechtbank Arnhem besliste eind 2009 dat de heffingsrente terzake van een op verzoek van de belastingplichtige opgelegde V) niet werd verlaagd als de inkomsten waarop de VA zag pas laat in het jaar waren genoten. Het ging in deze zaak om een VA in verband met een op 30 november 2006 door X verkocht aanmerkelijk belang (a.b.). De VA was opgelegd naar een belastbaar inkomen uit a.b. van € 70 mln en een bedrag aan heffingsrente van € 448.351, waarvan € 298.958 betrekking had op de periode van 1 juli 2006 tot 1 december 2006. Volgens de Rechtbank kon de gekozen berekeningsmethode van heffingsrente voor belastingplichtigen zowel voordelig als nadelig kon uitvallen, zodat de keuze van de wetgever voldeed aan de door het EHRM gestelde voorwaarde van een "fair balance" tussen het algemene belang en het individuele belang. X ging in hoger beroep. Hof Arnhem heeft de uitspraak van de Rechtbank echter vernietigd. Het Hof heeft beslist dat de berekening van heffingsrente voordat het voordeel uit a.b. was gerealiseerd moest worden aangemerkt als een met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM strijdige buitensporige last - in absolute en relatieve zin -, omdat geen sprake was van een "fair balance". Het Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond en beperkte de in rekening te brengen heffingsrente tot de periode van 1 december 2006 tot 9 februari 2007. Het Hof verminderde de heffingsrente van € 448.351 naar € 149.393.

Bron:
Fida 20103028 (Hof Arnhem 1 juni 2010 09/00436)


Rechter tikt McDonald's op vingers

Geen laag BTW-tarief voor bij fastfoodmenu verstrekt Disney-figuurtje

Fastfoodketen X verstrekte bij één van haar menu's ook een speeltje, veelal een figuurtje uit actuele bioscoopfilm voor kinderen van Disney. De inspecteur stelde dat de levering van het speeltje als een afzonderlijke levering moest worden aangemerkt, waarop het algemene BTW-tarief van toepassing was. X ging in beroep en stelde dat het speeltje opging in de levering van eet- en drinkwaren, waardoor het verlaagde BTW-tarief ook op het speeltje van toepassing was. Rechtbank Haarlem besliste dat het speeltje niet als bijkomend bij de hoofdprestatie, de verstrekking van eet- en drinkwaren, kon worden aangemerkt. De speeltjes moesten gelet op de kwaliteit worden aangemerkt als volwaardig en duurzaam speelgoed en de verkrijging daarvan vormde voor een modale consument normaal gesproken een doel op zich. Dat bleek volgens de Rechtbank ook uit het feit dat de speeltjes via internet op grote schaal werden verhandeld tegen meer dan symbolische prijzen. De levering van het speeltje moest worden aangemerkt als een afzonderlijke prestatie, waarop het normale BTW-tarief van toepassing was.

Bron:
Fida 20102714 (Arr.rb. Haarlem 1 april 2010 AWB08/6738)


Betaalde tipgever zwart geld klikte over Rabobank

Oude tipgeversregeling wordt niet vervangen

De overheid komt regelmatig in aanraking met situaties waarin informatie die belangrijk is voor het (kunnen) achterhalen van ernstige vormen van criminaliteit, slechts tegen betaling kan worden verkregen. De mogelijkheid om voor informatie te betalen maakt daarom al langere tijd onderdeel uit van het instrumentarium van de overheid bij de aanpak van criminaliteit. Het belonen van fiscale tips bestaat sinds 1985 (zie FutD 1985-0295). De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer in een brief op de hoogte gesteld van het beleid inzake het toekennen en uitbetalen van tipgelden.

Het handelen van de Belastingdienst en de FIOD wordt volgens de staatssecretaris bepaald en beperkt door het volgende kader, dat voortvloeit uit de tipgeldregeling van 1985:

De staatssecretaris vindt een terughoudende opstelling ook nu nog belangrijk en passend binnen hetgeen van een integere en zorgvuldig handelende overheid mag worden verwacht. Bij de beoordeling van de recente tipgeverszaak (zie FutD 2009-2381 en FutD 2009-2395 met ons commentaar) is volgens de staatssecretaris gebleken dat de criteria uit 1985 nog steeds bruikbaar en effectief zijn. Een verdere detaillering van de regeling brengt volgens de staatssecretaris het risico mee dat een stimulans zou kunnen uitgaan voor de zogenoemde fiscale premiejager. Ook wil de staatssecretaris niet dat crimineel gedrag wordt uitgelokt. Een dergelijke regeling kan volgens de staatssecretaris bovendien een risico betekenen voor de mogelijkheid om de verkregen informatie fiscaal te kunnen gebruiken. De Hoge Raad heeft namelijk beslist dat onrechtmatig verkregen bewijs door de belastinginspecteur voor de belastingheffing mag worden gebruikt tenzij hij de onrechtmatigheid heeft geïnitieerd of gefaciliteerd. Een verdere detaillering van de regeling kan volgens de staatssecretaris voeding geven aan de stelling dat de Belastingdienst de onrechtmatigheid initieert of faciliteert en daar wil hij zich in elk geval verre van houden. De staatssecretaris wil dan ook geen meer gedetailleerde regeling vaststellen dan de regeling uit 1985. De hoofdlijnen in die regeling bieden volgens de staatssecretaris nog steeds een toereikend kader om in alle gevallen een zorgvuldige en evenwichtige individuele afweging te kunnen maken.

De staatssecretaris gaf tot slot een overzicht van de resultaten van de inkeerregeling over 2009:

Ministerie van Financiën 2-2-2010, nr. DGB/2009/6548U (Fida 20100530)

Ons commentaar
Op 30 oktober 2009 berichtte de staatssecretaris de Tweede Kamer over een overeenkomst met een tipgever die in ruil voor informatie over zwartspaarders een opbrengstgerelateerde beloning in het vooruitzicht kreeg toegekend (zie FutD 2009-2381). In ons commentaar in FutD 2009-2395 en FutD 2009-2647 spraken wij reeds onze afkeer uit over deze praktijk waarbij de overheid klikkers en informanten betaalt voor illegaal verkregen gegevens. Ofschoon de Hoge Raad in 2008 in zijn KB Lux-arresten (zie FutD 2008-0608 met ons commentaar) heeft beslist dat onrechtmatig verkregen bewijs ook belastingrechtelijk mag worden gebruikt, heeft de Hoge Raad daaraan wel de voorwaarde verbonden dat de onrechtmatige verkrijging niet mag zijn geïnitieerd of gefaciliteerd door overheidsambtenaren. Krap drie maanden later lijkt de reikwijdte van deze grens ook tot de staatssecretaris te zijn doorgedrongen. Waar hij de Tweede Kamer in oktober 2009 nog liet weten dat een nieuw tipgeversbeleid in aantocht was, distantieert hij zich daar nu van en vindt hij ineens dat het 25 jaar oude tipgeversbeleid nog steeds voldoet. Het standpunt dat hij thans inneemt, op het moment dat zijn verlangen naar de uit Zwitserland afkomstige en aan Duitsland verkochte CD-rom actueel is, is een stuk genuanceerder en vele malen verstandiger dat zijn eerste euforische uitlatingen in oktober 2009 toen hij de Tweede Kamer op de hoogte stelde van de afspraak die hij toen met een mysterieuze tipgever maakte over Nederlands ingezetenen die een rekening hebben (aangehouden) bij de Rabobank Luxemburg (de inmiddels vierde affaire waarin de Belastingdienst gebruik maakt van door werknemers van banken met een bankgeheim gestolen gegevens). De staatssecretaris waagt zich duidelijk niet meer aan een formalisering van een tipgeversregeling, om het gevaar van de door de Hoge Raad verboden (in)directe betrokkenheid van de overheid bij het vergaren van onrechtmatig bewijs te vermijden.

Wij blijven erbij dat handhaving, opsporing en vervolging, overheidstaken zijn waarbij democratisch vastgestelde waarborgen met betrekking tot rechtsbescherming en proportionaliteit in acht moeten worden genomen. Iedereen is het erover eens dat ook zwartspaarders aan hun fiscale verplichtingen moeten voldoen en dat zij aangepakt moeten worden, maar daarbij mag de overheid geen gebruik maken van burgers en bedrijven die illegale praktijken bedrijven om royale tipgelden op te strijken. Het veelal op geld beluste premiejagen heeft niets te maken met principieel klokkenluiden, en moet daarvan ook duidelijk worden onderscheiden.

Bron:
Fida 20100530 (MvF 02-02-2010 DGB20096548)


Belastingfraudeurs minder vaak gedaagd in strafzaken

Fiscus ziet opbrengsten van toezicht steeds verder dalen

De Belastingdienst haalt haar doelstellingen met betrekking tot correcties, boeten en strafrechtelijke vervolging niet. Dit blijkt uit een geheim intern memo van de Belastingdienst van 29 januari 2010 dat Fiscaal up to Date heeft gekregen en waarin bestuurlijke informatie is opgenomen over aanmeldingen voor strafrechtelijke vervolging over de jaren 2003 tot en met 2009 en over opbrengsten van correcties en boeten over de jaren 2005 tot en met 2009 onderverdeeld naar belastingmiddel en de diverse regio's van de Belastingdienst. De scores geven volgens het memo een beeld van de gehele klantbehandeling, omdat correcties en boeten het product zijn van alle voorgaande processen. Uit dit memo blijkt het volgende:

Belastingdienst 29-1-2010 (Fida 20101688)

Ons commentaar
De cijfers uit deze interne (geheime) bestuurlijke rapportage liegen er niet om. Door de Belastingdienst zelf wordt het keiharde bewijs geleverd dat geen sprake (meer) is van (verticaal) toezicht, althans dat (veel) minder strafrechtelijke onderzoeken, (veel) lagere correctiebedragen en (veel) minder (en lagere) boeten over de afgelopen jaren zijn gerealiseerd dan in de (jaar)doelstellingen van de leiding van de Belastingdienst als planning en verwachting zijn opgenomen. Volgens de letterlijke bewoordingen van het memo worden de doelstellingen "op geen stukken na" gehaald. Als één van de oorzaken van die tegenvallende uitkomsten wordt genoemd "de handvol zeer grote FIOD-ECD-onderzoeken". Wij vermoeden dat het daarbij gaat om onderzoeken naar vastgoedfraude, waardoor de FIOD-ECD nauwelijks meer toekomt aan wat minder prestigieuze projecten en individuele gevallen. Wij wijzen dan op de verruiming van de criteria voor strafrechtelijke vervolging in het rekeningenproject (KB Lux) versus de projecten Bank Zonder Naam (Van Lanschot) en Derde Categorie (Rabo Luxemburg). Lag die grens in het rekeningenproject nog bij een gerenseigneerd saldo van f 500.000, daarna werd deze in de andere twee projecten verlegd naar f 1 mln. Daarnaast zouden de tegenvallers het gevolg zijn van "de arbeidsintensieve geheimhouders-onderzoeken" van de FIOD-ECD.

Naast deze oorzaken is er naar onze mening nog een andere belangrijke oorzaak aan te wijzen, waarover het memo oorverdovende stil is. Dat is de relatie tussen de tegenvallende uitkomsten en fraudebestrijding versus het zo geroemde horizontale toezicht. Het management van de Belastingdienst heeft in 2004/2005 besloten tot zelfregulering door ondernemingen, branches en (koepel)organisaties in plaats van tot regulering door feitelijke boekenonderzoeken en controles (zie onze commentaren in FutD 2009-1501, FutD 2007-2331, FutD 2008-1088, FutD 2008-0829 en FutD 2009-0183). Zou het niet zo kunnen zijn dat over de hele linie bezien minder aangiften worden gecorrigeerd omdat controles welbewust achterwege worden gelaten? Of zou het waar zijn wat de dienstleiding van de Belastingdienst pretendeert, dat de door horizontaal toezicht zelfregulerende belastingplichtigen zo compliant zijn geworden dat bij hen niet meer gecontroleerd, gecorrigeerd en beboet hoeft te worden, omdat zij uit zichzelf volledig en tot de juiste bedragen aan al hun fiscale verplichtingen voldoen?

Bron:
Fida 20101688 - Belastingdienst 29-1-2010
Bijlage bij Fida 20101688 in pdf


Welwillende sekshuisbaas heeft streepje voor bij fiscus

Fiscus schendt gelijkheidsbeginsel bij sekshuis-exploitanten

X exploiteerde een privé-huis waarin een seksinrichting werd geëxploiteerd. In het huis werden kamers verhuurd om prostituees in de gelegenheid te stellen hun diensten te verlenen. De Belastingdienst stelde dat de prostituees in privaatrechtelijke dienstbetrekking waren van X. X ging in beroep tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag LB over 2005. Hij stelde dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden, omdat de groep exploitanten die voor de jaren na 2005 wél hadden gekozen voor de door de inspecteur aangeboden opting-inregeling en overigens in dezelfde omstandigheden verkeerden aanzienlijk gunstiger werden behandeld dan de groep exploitanten die hier niet voor hadden gekozen. Rechtbank Breda was het met X eens dat de beide groepen exploitanten van privé-huizen waarin dames hun diensten konden verrichten feitelijk en rechtens vergelijkbaar waren, en dat de gelijke gevallen ongelijk werden behandeld. De inspecteur had op de zitting namelijk bevestigd dat eerder opgelegde naheffingsaanslagen over 2005 werden vernietigd als de belastingplichtige akkoord ging met toepassing van de opting-in in latere jaren. De vernietiging van over het jaar 2005 reeds opgelegde aanslagen of het niet-opleggen van aanslagen over dat jaar werd volgens de inspecteur gebruikt als middel om de toepassing van de opting-in te faciliteren. Hieruit volgde volgens de Rechtbank dat de inspecteur zich ervan bewust was dat hij ten aanzien van de groep die voor de jaren na 2005 wél had gekozen voor toepassing van de opting-inregeling een begunstigend beleid voerde. De handelwijze van de inspecteur leidde volgens de Rechtbank tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen als gevolg van het oogmerk van begunstiging. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag. (Deze uitspraak ontvingen wij van mr. F.J.H.M. Berndsen van advocaten en belastingadviseurs Van de Sande Berndsen te Breda, -red.)

Bron:
Fida 20101632 - Rechtbank Breda 11-3-2010, nr. 09/130


Gluren naar seksfilmpjes hoger belast

Geen verlaagd BTW-bioscooptarief voor seksvideo-cabines

Het EU-Hof van Justitie heeft antwoord gegeven op de prejudiciële vragen van het Belgische Hof van Beroep te Gent in de zaak Erotic Center BVBA over het BTW-tarief voor afsluitbare cabines waar plaats is voor slechts één persoon en waarin deze op een televisiescherm films naar keuze kan bekijken tegen betaling. De Belgische rechter wilde weten of het bekijken van films onder het verlaagde BTW-tarief voor bioscopen kon worden gerangschikt. Het EU-Hof hield het kort en besliste dat het verlaagde BTW-tarief niet gold voor het individueel bekijken van een of meer films in een afgesloten ruimte.

Bron:
Fida 20101588 - Hof van Justitie 18 maart 2010 C-3/09


Extra hoge korting winkelverkoopsters belast

Kledingkorting voor winkelpersoneel volledig belast

BV X exploiteerde een aantal winkels in dameskleding en verplichtte haar werknemers in bepaalde functies om tijdens werktijd door hen uit te kiezen kleding van het bedrijf te dragen. Hiervoor gold een kortingsregeling van 60% van de bruto verkoopbedragen. De kleding was geen werkkleding. De inspecteur stelde dat sprake was van een verstrekking van kleding die tot het loon moest worden gerekend voorzover de waarde van de kleding meer bedroeg dan het maximum van de vrijstelling voor producten uit eigen bedrijf. BV X ging in beroep en stelde dat sprake was van een vrije verstrekking. De Hoge Raad besliste dat verstrekkingen slechts als vrije verstrekking konden worden aangemerkt voorzover zij geacht konden worden te strekken tot voorkoming van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, of voorzover sprake was van verstrekkingen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel werden ervaren. In dit geval ging het om kleding die geschikt was om ook buiten werktijd te worden gebruikt, die voor onbepaalde tijd werd verstrekt en eigendom werd van de werknemers. Dan kon volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat het privé-element overheerste en werd niet voldaan aan de voorwaarden die in artikel 17, lid 1, Wet LB aan een vrije verstrekking werden gesteld. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat voor de omvang van het loon niet kon worden uitgegaan van de besparingswaarde, omdat het verstrekken van kleding, met uitzondering van werkkleding, in het algemeen loon in natura opleverde dat moest worden gewaardeerd naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kon worden toegekend. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

Bron:
Fida 20100602 - Hoge Raad 5 februari 2010 08/05235


Belasting op huurauto ligt onder vuur

Prejudiciële vragen over teruggaafregeling BPM

Het in Duitsland gevestigde autoleasbedrijf X GmbH verhuurde van 22 januari 2009 tot en met 31 maart 2009 een personenauto met een Duits kenteken aan BV Y in Nederland. BV Y stelde de auto aan haar directeur (A) ter beschikking. A gebruikte de auto hoofdzakelijk in Nederland. A ontving naar aanleiding van een controle een informatieformulier inzake de verplichting BPM te voldoen. X GmbH ging in beroep en stelde dat de heffing van BPM in strijd was met het EG-verdrag, omdat daarbij geen rekening werd gehouden met de duur van de huurovereenkomst of met het gebruik van het Nederlandse wegennet. Daar deed volgens X GmbH niet aan af dat er een teruggaafregeling in artikel 14a Wet BPM bestond. Rechtbank Breda stelde voorop dat sprake was van een verhuurovereenkomst van tijdelijke duur en dat geen sprake was van een situatie waarin de auto was verhuurd voor duurzaam gebruik in Nederland. De BPM-teruggaafregeling van artikel 14a Wet BPM voorzag in 2009 volgens de Rechtbank per saldo in een heffing die evenredig was aan de tijd dat een auto in Nederland werd gebruikt. Buitenlandse autoverhuurders moesten de volledige BPM in één keer op aangifte voldoen, waarna bij uitvoer uit Nederland een deel van die BPM (zonder rentevergoeding) werd teruggegeven. Dat buitenlandse autoverhuurders ook bij tijdelijke verhuur direct het volledige BPM-bedrag verschuldigd werden, maakte die verhuur volgens de Rechtbank voor hen onmiskenbaar onaantrekkelijk, zodat sprake was van een belemmering van het vrij verkeer van diensten. De oorspronkelijk voorgestelde wettekst van artikel 14a van de Wet BPM voorzag in een tijdsevenredige heffing zonder vooruitbetaling van de BPM, zodat volgens de Rechtbank een minder belemmerende heffing mogelijk. De rechtvaardiging voor de invoering van de huidige regeling was de gelijke behandeling van in Nederland gevestigde autoverhuurbedrijven en autoverhuurbedrijven in andere lidstaten. De Rechtbank vond het echter twijfelachtig of dat een voldoende rechtvaardiging kon zijn voor het belemmeren van de vrijheid van dienstverlening. De Rechtbank besloot hierover prejudiciële vragen voor te leggen aan het EG-Hof van Justitie en hield de beslissing aan totdat het EG-Hof uitspraak heeft gedaan.

Bron:
Fida 20100923 - Arr.rb. Breda 18 januari 2010 AWB09/2685


WOZ-voordeel bij FC Twente

WOZ-waarde voetbalstadion vastgesteld op bedrijfswaarde

De gemeente Enschede stelde de WOZ-waarde van het voetbalstadion van BV X per 1 januari 2003 vast op een gecorrigeerde vervangingswaarde van € 8.821.000. Rechtbank Almelo stelde de gemeente in het gelijk. BV X liet het er niet bij zitten en bepleitte in hoger beroep dat moest uitgegaan van de bedrijfswaarde die zij berekende op € 1.038.985. Hof Arnhem was het met BV X eens dat het stadion rondom de peildatum bedrijfsmatig werd gebruikt, omdat het stadion niet op grond van met name het algemeen belang werd geëxploiteerd, maar het overwegende belang bij de exploitatie van het stadion in de commerciële verhuur lag. De exploitatie van het stadion was al enige tijd verliesgevend en rondom de peildatum was de in rekening te brengen huur zelfs verlaagd. Het Hof concludeerde dat de gecorrigeerde vervangingswaarde moest worden bepaald met toepassing van een zodanige factor voor functionele veroudering en dat de waarde overeenkwam met de bedrijfswaarde van het stadion. Aangezien BV X de gebruiker was van het stadion moest de bedrijfswaarde die waarde zijn die het object voor de eigenaar zelf had. In dat geval kon de waarde, waarvan kon worden uitgegaan, niet hoger zijn dan het bedrag waarvoor de eigenaar een zaak zou kunnen verwerven die voor hem hetzelfde nut opleverde als de te waarderen zaak. Het Hof vond de stelling van BV X aannemelijk dat de indirecte opbrengstwaarde nihil bedroeg vanwege de structureel negatieve resultaten. Het Hof volgde ook de door BV X gestelde directe opbrengstwaarde van € 1.288.985 die de gemeente niet had betwist. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X gegrond en verminderde de WOZ-waarde voor het tijdvak 2005 en 2006 naar € 1.288.985.

Bron:
Fida 20100641 - Hof Arnhem 26 januari 2010 08/00032


Behandel alle WOZ-bezwaren

Fierensmarge volgens AG in strijd met eerste protocol EVRM

X maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, die was vastgesteld op € 99.000. De gemeente verklaarde het bezwaar ongegrond, maar stuurde kort daarna een ambtshalve kennisgeving waarin stond dat "de correcte WOZ-waarde" € 95.000 bedroeg, maar dat de WOZ-waarde niet op dat bedrag kon worden vastgesteld door toepassing van de Fierensdrempel van artikel 26a van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Hof Den Haag (zie FutD 2008-0983) bevestigde in navolging van Rechtbank Rotterdam (zie FutD 2006-1412 met ons commentaar) het standpunt van de gemeente. X ging in cassatie.

Advocaat-Generaal (AG) van Ballegooijen heeft naar aanleiding daarvan een conclusie genomen. Artikel 26a van de Wet WOZ maakte volgens de AG een inbreuk op het eigendomsrecht van artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM. Een overheidsmaatregel die het eigendomsrecht aantastte, was onrechtmatig als zij verstrekkende gevolgen had voor een eigenaar, verweer was uitgesloten en een andere maatregel aan de overheid ter beschikking stond om zijn doel te bereiken. De belastingplichtigen, van wie eigendomsrechten door de belastingheffing werden aangetast, konden zich volgens de AG door de drempel voor bezwaar- en beroep, niet weren tegen foutieve waardebepalingen van hun onroerende zaak. Het nadeel voor de belastingplichtigen gaat volgens de AG weliswaar over geen grote bedragen, maar waren ook niet onbeduidend te noemen. Er werden jaarlijks vele duizenden belastingprocedures gevoerd om dezelfde geringe belangen. De overheid staat volgens de AG ook een alternatief ter beschikking, namelijk de invoering van een stelsel van waardeklassen. Daarmee wordt hetzelfde doel gediend, namelijk conflictbeheersing en uitvoerbaarheid van de Wet WOZ, maar wordt geen afbreuk gedaan aan de rechtsbescherming van de eigenaar van een onroerende zaak die te hoog is gewaardeerd. De AG adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep van X gegrond te verklaren.

Conclusie AG 29-12-2009, nr. 08/2324 (Fida 20100609)

Ons commentaar
Met ingang van 1 januari 2005 werd in artikel 26a van de Wet WOZ op amendement van het Tweede Kamerlid Fierens een drempel ingevoerd. Op grond van deze zogenoemde Fierensdrempel wordt de door de gemeente bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde geacht juist te zijn als die waarde maximaal een bepaald percentage of bedrag afwijkt van de daadwerkelijke WOZ-waarde. Bezwaar en beroep heeft dan alleen zin als de bij beschikking vastgestelde WOZ-waarde méér dan de in artikel 26a van de Wet WOZ opgenomen marge afwijkt van de volgens de regels van de Wet WOZ vast te stellen waarde. De Fierensdrempel werd ingevoerd om bezwaar en (hoger) beroep tegen een waardebeschikking in te dammen. De Hoge Raad besliste op 15 februari 2008 (zie FutD 2008-0323 met ons commentaar) dat voor de toepassing van deze drempel moet worden uitgegaan van de in de oorspronkelijke WOZ-beschikking opgenomen WOZ-waarde, en niet van de waarde in de uitspraak op het bezwaar van de gemeente of de uitspraak van de rechter is vastgesteld. Verder besliste de Hoge Raad dat gemeenten de Fierensdrempel buiten toepassing mogen laten. De vraag naar de toelaatbaarheid van de Fierensdrempel was toen niet aan de orde, deze staat thans wel centraal in de lezenswaardige conclusie van Advocaat-Generaal (AG) Van Ballegooijen.

Volgens de AG leidt de Fierensdrempel weliswaar tot ongelijke behandeling, maar niet tot een verdragsrechtelijk verboden discriminatie, omdat de wetgever gezien zijn ruime beoordelingsvrijheid op fiscaal gebied vanuit het oogpunt van kosten- of werkbesparing een drempel mag invoeren om bezwaar- en beroepsprocedures terug te dringen. De heer van Ballegooijen vindt het begrijpelijk dat de wetgever discussies tussen gemeenten en belastingplichtigen over betrekkelijk geringe waardeverschillen wil voorkomen, maar de keerzijde hiervan is dat belastingplichtigen door de Fierensdrempel genoegen moeten nemen met onmiskenbare fouten in de taxatie bijvoorbeeld als het taxatierapport een dakkapel in de WOZ-waarde opneemt, die er niet is, of van een te grote oppervlakte of te grote inhoud van het object is uitgegaan. De Fierensdrempel sluit onbenullige grieven uit, maar kan er ook toe leiden dat serieuze grieven worden uitgesloten van rechtsbescherming. Ofschoon het financiële nadeel van de belastingplichtige niet groot is, is volgens de heer Van Ballegooijen zeker geen sprake van een onbeduidend bedrag (in alle gevallen meer dan € 40). Zeker als men in aanmerking neemt dat de reikwijdte van WOZ-waarderingen veel groter is dan alleen de functie van heffingsmaatstaf voor de lokale heffingen als de OZB en waterschapsomslag, en voortaan ook geldt als uitgangspunt voor het eigenwoningforfait in de inkomstenbelasting, voor de bodemwaarde van afschrijvingen op vastgoed in de vennootschaps- en de inkomstenbelasting en vanaf 1 januari 2010 ook voor de schenk- en erfbelasting, kan niet gezegd worden dat bij grieven over betrekkelijk kleine waardeverschillen sprake is van querulant gedrag. Bovendien worden jaarlijks heel veel zaken met belangen van minder dan € 50 uitgeprocedeerd waarvoor geen procesdrempel geldt. Wij zijn benieuwd of de Hoge Raad het advies van de heer van Ballegooijen opvolgt en de Fierensdrempel zijn lustrum haalt.

Bron:
Fida 20100609 - Conclusie AG 29-12-2009 0802324


Tipgever zwartspaarders: echte held of sluwe boef


Rechter: Speurwerk naar zwartspaarders gebrekkig

KB Lux-navordering vernietigd wegens onbetrouwbare identificatie

Hof Amsterdam heeft aan vermeende KB Lux'ers (de echtelieden X en Y) opgelegde navorderingsaanslagen IB/VB over 1990-1999 met 100% boeten vernietigd, omdat een niet volgens de standaardmethode verricht onderzoek naar de identiteit volgens het Hof niet betrouwbaar genoeg was. Het Hof stelde vast dat de inspecteur bij het onderzoek naar de houders van de hem bekende bankrekeningnummers alleen belang had gehecht aan een koppeling van de namen van de echtelieden aan het adres en/of de tussen hun bestaande huwelijksrelatie. Zonder nadere toelichting van de inspecteur was volgens het Hof niet onaannemelijk dat meerdere personen met de naam X of Y in Nederland woonden, en was het zeer wel denkbaar dat een andere persoon dan belanghebbende met de naam X en Y de rechthebbende was van de bij de inspecteur bekende bankrekeningnummers. Het lag volgens het Hof op de weg van de inspecteur - die immers over het BVR- en RDW-bestand beschikte - om te verklaren dat slechts één persoon met de naam X en één persoon met de naam Y in die bestanden voorkwam, of waarom hij juist X en zijn echtgenote Y aan de rekeningnummers had gekoppeld, in het geval dat er meer mensen met diezelfde namen in genoemde bestanden voorkwamen. Het Hof vernietigde alle navorderingsaanslagen en boeten.

Bron:
Fida 20100537 - Hof Amsterdam 14 januari 2010 04/03604

Geen navordering omdat KB Luxrekening van vader, zoon of kleinzoon kon zijn

X ontving navorderingsaanslagen IB over 1990 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen VB over 1991 tot en met 2000 met boeten van 100%, omdat hij volgens de Belastingdienst een bankrekening bij de KB Lux in Luxemburg had aangehouden. De naam van X kwam volgens de Belastingdienst voor op een kopie van de microfiches van de KB Lux. X ging in beroep en stelde dat hij niet degene was die op de microfiches stond vermeld. Hof Amsterdam besliste dat het onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouders van de KB Lux voldoende betrouwbaar was, maar dat de inspecteur in dit geval daaruit ten onrechte de conclusie had getrokken dat X als enig mogelijke houder van de rekening bij de KB Lux moest worden aangewezen. In het BVR-bestand (Beheer van Relaties) van de Belastingdienst stonden naast X nog twee personen met dezelfde naam, namelijk de zoon en kleinzoon van X. Volgens het Hof kwamen in beginsel alle drie als rechthebbende van de rekening in aanmerking. Het was volgens het Hof niet relevant dat de kleinzoon op 31 januari 1994 pas 13 jaar oud was en dat de onderneming van de zoon van X op die datum met verlies draaide. Nu X expliciet betwistte dat hij houder van die rekening was, was volgens het Hof onvoldoende bewijs aanwezig om aan te nemen dat uitsluitend X als houder van de rekening was aan te merken. Daar deed niet aan af dat X volgens de inspecteur voldeed aan de profielschets van een bankrekeninghouder bij de KB Lux (een oudere persoon die risicomijdend belegde). Het was volgens het Hof niet duidelijk waarom de zoon van X niet ook aan die profielschets zou voldoen. Bovendien kon het voldoen aan een profielschets weliswaar een indicatie zijn dat sprake was van het aanhouden van een rekening, maar ook niet meer dan dat. Het Hof verklaarde het beroep van X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslagen en de boeten.

Bron:
Fida 20100375 Hof Amsterdam 21 januari 2010 04/02814


Zwartspaarders zijn nationale zondebokken


De Jager wil Duitse spaarderslijst zien


Het kan nog beter/erger


Fiscale boete AZ van tafel

Geen omkering bewijslast bij pleitbaar standpunt

Betaald-voetbalorganisatie NV X had via haar hoofdsponsor met diverse contractspelers en directieleden beleggingscontracten afgesloten op grond waarvan met geleend geld beleggingsproducten werden aangekocht. De benodigde inleg werd geleend bij een onderdeel dat aan de hoofdsponsor was verbonden. Bij een controle constateerde de inspecteur dat NV X aan de werknemers rendementsgaranties had verstrekt met betrekking tot hun investeringen. De inspecteur stelde dat NV X niet de vereiste aangifte had gedaan en legde met de omkering van de bewijslast een naheffingsaanslag LB op over 1999 en 2000 van bijna € 6,7 mln met een boete van € 907.560. NV X ging in beroep en stelde dat zij wel de vereiste aangifte had gedaan. Zij had in 1999 en 2000 geen loon in aanmerking genomen omdat zij van mening was dat inhouding van loonheffing terzake van de rendementsgaranties niet eerder aan de orde zou komen dan bij het inroepen daarvan. Hof Amsterdam besliste dat het destijds door NV X ingenomen standpunt in ieder geval zodanig pleitbaar was dat in de onderhavige procedure geen plaats was voor het omkeren en verzwaren van de bewijslast. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat in de uitspraak van het Hof besloten lag dat het toenmalige standpunt van NV X in die mate verdedigbaar was, dat zij redelijkerwijs kon menen juist te handelen door in overeenstemming daarmee haar aangiften te doen, en dat NV X toen dus niet wist of zich ervan bewust moest zijn dat zij in die aangiften te weinig loonheffing verantwoordde terzake van de toekenning van de rendementsgaranties. De Hoge Raad was het met het Hof eens dat daaruit volgde dat niet kon worden gezegd dat NV X de vereiste aangiften niet had gedaan. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd.

Bron:
Fida 20094880 - Hoge Raad 30 oktober 2009 43937


Bedrijfsstoel in stadion fisaal gunstig

Verlaagd BTW-tarief voor businesslounge-pakketten voetbalclub

Voetbalclub BV X huurde een stadion en verkocht businessclub-pakketten en loge-pakketten. Een businessclub-pakket omvatte het gebruik van businessstoelen tijdens thuiswedstrijden en gaf recht op een door BV X ingekochte cateringpakket. Ook de gebruikers van het loge-pakket hadden recht op een cateringpakket. BV X stelde dat op de business- en loge-paketten het verlaagde BTW-tarief van 6% gold, omdat haar hoofdprestatie uit het verlenen van toegang tot een voetbalwedstrijd bestond, waarop het 6%-tarief van toepassing was. De inspecteur stelde dat het normale tarief van 19% voor de pakketten gold, omdat de zakelijke belangen voorop stonden waarbij de voetbalwedstrijd een middel was om relaties aan zich te binden. BV X ging in beroep. Rechtbank Haarlem was het met BV X eens dat de toegang tot bepaalde ontvangstruimten, de beschikbaarheid van de catering, de parkeergelegenheid en het lidmaatschap moesten worden aangemerkt als bijkomende prestaties die voor de afnemers van die pakketten geen doel op zich waren, maar middelen om de hoofdprestatie, het bijwonen van de voetbalwedstrijd, zo aangenaam mogelijk te maken. De bijkomende prestaties volgden de hoofdprestatie zodat volgens de Rechtbank zowel de businesspakketten als het logepakket in zijn geheel onder het verlaagde BTW-tarief van 6% viel. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20094833 - Arr.rb. Haarlem 24-04-2009 AWB08 3303


Fiscus mist miljoenen aan drugsgelden

Aan gangsterliefje opgelegde schenkingsaanslagen vernietigd

Mevrouw X woonde sinds 1997 met haar kind in een huis waar zij van oktober 1999 tot oktober 2003 had samengewoond met drugscrimineel Y. Y was van februari 1998 tot februari 2000 gedetineerd. In die periode had hij regelmatig weekendverlof en later was hij thuis onder elektronisch toezicht gesteld. In oktober 2003 verhuisde mevrouw X naar België. Y was intussen in (hoger) beroep en cassatie gegaan tegen de strafbare feiten waarvan hij beschuldigd werd, maar voordat de Hoge Raad arrest had gewezen, werd hij in België geliquideerd. Op de bankrekening van mevrouw X waren in 1999 en 2000 contante stortingen gedaan die de inspecteur had aangemerkt als andere inkomsten uit arbeid voor de inkomstenbelasting (IB). Daarnaast legde de inspecteur aanslagen schenkingsrecht op met een boete van 50%. Hof Den Bosch vernietigde op 8 april 2008 de navorderingsaanslagen IB en Rechtbank Breda (zie FutD 2009-1083) vernietigde op 1 april 2009 de aanslag schenkingsrecht 1999. Volgens de Rechtbank had Y de gelden verstrekt om mevrouw X in staat te stellen de gezamenlijke huishouding overeenkomstig hun plaats in de samenleving te kunnen voeren en was niet gebleken dat Y mevrouw X had willen bevoordelen. Vervolgens legde de inspecteur navorderingsaanslagen schenkingsrecht op over 1990, 1991, 1998, 2001 en 2004. De navorderingsaanslagen over 1990 en 1991 van respectievelijk € 96.510 en € 44.382 hadden betrekking op percelen grond die mevrouw X middels zeggenschap over aandelen in een BV van Y had verkregen. De navordering over 1998 van € 15.602 was opgelegd omdat mevrouw X een Mercedes van Y had verkregen. De navordering over 2001 van € 554.043 had betrekking op een door mevrouw X van Y verkregen woning en de navorderingaanslag over 2004 van € 1.612.515 zag op de verkrijging door mevrouw X van een vordering van Y op een geliquideerde vastgoedhandelaar. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Breda heeft alle navorderingsaanslagen om verschillende redenen vernietigd:

Schenkingen over 1990 en 1991 door verkeerde navorderingsjaren vernietigd
Met betrekking tot de navorderingen over 1990 en 1991 terzake van de verkrijging van percelen grond besliste de Rechtbank dat sprake was geweest van een schenking, omdat haar vermogende partner Y mevrouw X in staat had gesteld vermogen op te bouwen zonder een direct verband met de gezamenlijke huishouding. Volgens de Rechtbank was aannemelijk dat Y had gehandeld uit vrijgevigheid. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslagen over deze jaren echter, omdat mevrouw X had verklaard dat zij de grond midden jaren '90 van Y had gekregen, zodat de schenking redelijkerwijs ook midden jaren '90 had plaatsgevonden. Dit was ook in overeenstemming met de vermelding door mevrouw X in haar aangifte IB 1995. Volgens de Rechtbank was er geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat mevrouw X de grond al in 1990 en 1991 had verkregen. Bovendien vond de Rechtbank van belang dat mevrouw X in 1990 en 1991 nog geen affectieve relatie had met Y en dat zij dat door middel van getuigenbewijs kon aantonen. De Rechtbank overwoog dat het jaar waarin de schenking had plaatsgevonden van wezenlijk belang was voor de heffing van schenkingsrecht, en dat er in deze gevallen geen twijfel mogelijk was dat de aanslagbiljetten onjuiste jaren vermeldden. Dat betekende dat de aanslagen over deze schenkingen moesten worden vernietigd, zodat hierover helemaal geen schenkingsrecht werd geheven. De Rechtbank was het met de inspecteur eens dat dit een onbevredigende uitkomst was, met name omdat onduidelijkheid over het jaar van schenking was ontstaan doordat mevrouw X in het geheel geen informatie had verstrekt. De inspecteur had dit volgens de Rechtbank echter kunnen voorkomen door ter behoud van rechten ook aanslagen schenkingsrecht op te leggen over 1995 of een van de daarop volgende jaren, omdat uit de verklaring van mevrouw X volgde dat de schenking in een van die jaren had plaatsgevonden.

Schenkingsaanslagen over 1998 en 2004 wegens ontbreken nieuw feit vernietigd
In een brief van 28 november 2005 en een brief van 16 januari 2006 had de inspecteur aan mevrouw X meegedeeld dat uit onderzoek was gebleken dat zij tussen 17 juni 1998 en 26 september 2000 een Mercedes op naam van haar stiefmoeder had gezet, maar dat gebleken was dat deze auto eigendom van haarzelf was. De inspecteur was ervan uitgegaan de deze auto was gefinancierd met geld van Y en hij legde op 2 december 2008 een navorderingsaanslag schenkingsrecht over 1998 aan mevrouw X op. Na de liquidatie van Y was mevrouw X ervan op de hoogte gekomen dat Y een vordering had op een geliquideerde vastgoedhandelaar en had zij hierover contact opgenomen met de erven van de vastgoedhandelaar. De inspecteur legde op 2 december 2008 een navorderingsaanslag schenkingsrecht op over 2004 naar een totale verkrijging van € 2.475.508, dit was de hoofdsom van de vordering en bijgeschreven rente. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Breda stelde voorop dat de termijn voor het opleggen van een primitieve aanslag verliep drie jaren nadat het overlijden van Y ter kennis van de inspecteur was gekomen. Dat was op 26 april 2004 gebeurd, zodat de aanslagtermijn op 25 april 2007 was verlopen. Met betrekking tot de schenking van de Mercedes besliste de Rechtbank dat de inspecteur al in november 2005 wist dat de Mercedes eigendom was van mevrouw X. De inspecteur had dan ook ter behoud van rechten uiterlijk op 25 april 2007 een aanslag kunnen opleggen. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag over 1998 omdat niet aannemelijk was geworden dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag over meer of andere gegevens over de Mercedes beschikte dan hetgeen hij al in november 2005 aan mevrouw X had meegedeeld. Met dezelfde overwegingen ging ook de navorderingsaanslag 2004 van tafel. Volgens de Rechtbank wist de inspecteur al op 28 november 2005 dat mevrouw X een claim had ingediend bij de erven van de vastgoedhandelaar. Volgens de Rechtbank was niet aannemelijk geworden dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag over 2004 over meer of andere gegevens over de vordering beschikte dan de gegevens die hij al in april 2006 aan mevrouw X had toegezonden. De inspecteur had binnen de gewone aanslagtermijn alle tijd gehad om een aanslag schenkingsrecht op te leggen. Ook over 2004 ontbrak het voor navordering vereiste nieuwe feit.

Schenkingsaanslag over 2001 wegens ontbreken verrijking vernietigd
Met betrekking tot de door de inspecteur gestelde schenking in 2001 stelde de Rechtbank voorop dat voor het aannemen van een schenking moest zijn voldaan aan de volgende eisen: verarming van de schenker, verrijking van de begiftigde en een bevoordelingsbedoeling. De Rechtbank besliste vervolgens dat niet was gebleken dat Y in 2001 iets in verband met de aankoop van de woning aan mevrouw X had geschonken en ook niet dat mevrouw X in 2001 op enigerlei wijze was verrijkt. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag omdat geen sprake was geweest van een schenking van (een deel van) de woning.

Rechtbank Breda 31-8-2009, nr. 09/918 (Fida 20094284), nr. 09/919 (Fida 20094285), nr. 09/921 (Fida 20094287), nr. 09/922 (Fida 20094286) en nr. 09/166 (Fida 20094283)

Ons commentaar
Ofschoon de moed van de inspecteur te prijzen is dat hij de vriendin durfde aan te slaan voor verkrijgingen die zij van haar geliquideerde drugsvriend zou hebben ontvangen, volstaan wij bij deze uitspraken van de belastingkamer van Rechtbank Breda met het commentaar dat het een "beetje dom" van de inspecteur is geweest dat hij de zaak procedureel niet beter had geregeld door geen (navorderings)aanslagen ter behoud van rechten op te leggen. Daardoor moesten deze fiscale zaken, net als zoveel strafzaken tegen criminelen, wegens vormfouten worden vernietigd.

Bron:
Fida 20094283 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09166
Fida 20094284 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09918
Fida 20094285 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09919
Fida 20094286 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09922
Fida 20094287 - Arr.rb. Breda 31-08-2009 09921


Topman PWS kocht jacht met fraudegeld

Bestuurder grote woningstichting ook fiscaal de klos door vastgoedzwendel

X was gehuwd met mevrouw Y en had 84% van de aandelen van NV F in handen. De overige aandelen waren in bezit bij zijn vier kinderen. Vanaf eind jaren '80 was X lid van de raad van toezicht van woningstichting K. In 2005 werd tegen X en twee andere functionarissen van K een strafrechtelijk onderzoek ingesteld omdat werd vermoed dat zij zich ten koste van K hadden verrijkt met onroerende zaaktransacties. De inspecteur legde in afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek, ter behoud van rechten een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2000 waarbij hij ruim € 1 mln als andere inkomsten uit arbeid corrigeerde. Uit het FIOD proces-verbaal volgde dat X als voorzitter van de Raad van Toezicht gelden had verkregen uit onroerende zaaktransacties. In totaal had X aan de transacties ruim € 1,1 mln overgehouden op de bankrekening van NV F. Van de rekening van NV F had X in totaal € 724.361 overgeboekt naar zijn privérekening. Daarnaast was van die bankrekening een betaling gedaan van ongeveer € 0,6 mln in verband met de koop van een jacht. X ging in beroep en stelde dat hij, als al sprake was van door hem genoten andere inkomsten uit arbeid, in 2000 in Curaçao woonde en deze inkomsten om die reden niet tot zijn binnenlandse inkomen behoorden. Rechtbank Den Haag besliste dat uit het FIOD-rapport volgde dat X en zijn echtgenote in elk geval vanaf eind 2000 en gedurende de jaren daarna niet duurzaam gescheiden leefden en X in Nederland een sociaal leven had. Daarnaast was uit andere bij de huiszoeking in beslag genomen bescheiden af te leiden dat X samen met zijn echtgenote inkomens- en vermogensbelastingaangifte had gedaan in 2001 in Zwitserland, waar zij ook beschikten over een woning. De Rechtbank besliste dat de woning in Nederland die eigendom was van zijn echtgenote, ook voor X als woonhuis functioneerde zodat X binnenlands belastingplichtig was. De Rechtbank nam gezien het proces-verbaal als vaststaand aan dat de onroerende zaaktransacties hadden plaatsgevonden en dat daarmee voordelen waren behaald ter grootte van de in het proces-verbaal vermelde bedragen. De Rechtbank besliste dat voor het incasseren en het verdelen van de voordelen de bankrekening van NV F was gebruikt maar dat de voordelen feitelijk waren genoten door X. De Rechtbank besliste dat de inspecteur de voordelen terecht had aangemerkt als inkomsten uit andere arbeid en verklaarde het beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20093500 - Arr.rb. Den Haag 27 april 2009 AWB07/390


Kritiek belastingexperts gebruik fiscale dwangsom

Trustkantoor moest na kort geding meewerken aan controle

Tradman BV was een trustkantoor. Van 1994 tot eind 2006 was A cliënt geweest van Tradman BV voor het beheer en bestuur van de Muvabi groep waarvan hij aandeelhouder was. Vanaf eind 2004 ging een groot aantal vennootschappen uit de Muvabi Groep failliet. De FIOD-ECD onderwierp A en de Muvabi Groep aan een onderzoek en verstrekte de opgespoorde gegevens aan de inspecteur. De inspecteur stelde in maart 2008 een derdenonderzoek in bij Tradman BV, omdat hij vermoedde dat meer gegevens over A en aan hem gerelateerde rechtspersonen in de administratie van Tradman BV aanwezig waren. Toen de advocaat van Tradman BV pas bleek te willen meewerken als de inspecteur exact aangaf van welke cliënten hij nader inzage wilde in de door Tradman BV gehouden administratie, spande de inspecteur een kort geding aan tegen Tradman BV. De inspecteur verzocht de voorzieningenrechter Tradman BV te veroordelen tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan een onderzoek naar haar administratie.

De voorzieningenrechter stelde voorop dat in een kort geding niet kon worden beoordeeld of de opvatting van de inspecteur juist was dat hij inzage had in de volledige administratie, zonder concretisering waarnaar hij nader onderzoek wilde plegen. Vervolgens besliste de voorzieningenrechter dat het feit dat in de door Tradman BV overgedragen gegevens op de USB-stick andere bestanden waren aangetroffen die niet eerder aan de inspecteur waren overgedragen, het vermoeden rechtvaardigde dat zich op de computer van Tradman BV gegevens bevonden die van belang konden zijn voor de belastingheffing van A of aan hem gerelateerde rechtspersonen. De voorzieningenrechter wees de vordering van de inspecteur daarom toe. De inspecteur had volgens de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij zijn vordering in verband met de uiterlijke verjaringstermijn van twaalf jaar om in ieder geval over het grootste deel van de periode dat Tradman BV de administratie had gevoerd, te kunnen controleren op eventuele niet-opgegeven inkomsten of gelden van A of aan hem gerelateerde rechtspersonen. Tradman BV moest binnen tien dagen onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag volledige en onvoorwaardelijke medewerking verlenen aan het onderzoek van de inspecteur.

Rechtbank Amsterdam 8-5-2009, nr. 417661 (Fida 20093424)

Ons commentaar
De Hoge Raad besliste op 27 februari 2004 (zie FutD 2004-0469) dat de Belastingdienst de aan hem in de artikelen 47 tot en met 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toegekende bevoegdheden via een civiel kort geding kan afdwingen. Hiermee werd de uitspraak van voorzieningenrechter van Hof Den Bosch bevestigd (zie FutD 2006-0827 met ons commentaar) waarin was uitgemaakt dat een tuindersbedrijf afschriften van de e-mailberichten op haar computer aan de inspecteur moest verstrekken onder verbeurte van een dwangsom. In de KB Lux- en Van Lanschotzaken besliste de voorzieningenrechter van Hof Amsterdam dat de Belastingdienst middels een civiel kort geding onder verbeurte van een dwangsom informatie mag vorderen (zie FutD 2007-2332 met ons commentaar). Ditzelfde had de voorzieningenrechter van Rechtbank Middelburg kort daarvoor in een soortgelijke zaak beslist (zie FutD 2007-2198 met ons commentaar). Deze zaken en de bovenstaande voorlopige voorziening waarin de Belastingdienst met succes gedaan kreeg dat een trustkantoor moest meewerken aan een controle, tonen aan dat de rechters een andere mening zijn toegedaan dan de redactie van Fiscaal up to Date. Wij vinden (zie onze commentaren in FutD 2007-2198 en FutD 2007-2332) dat het inzetten van een civielrechtelijk kort geding door de Belastingdienst wegens het niet-nakomen van de informatieverplichting buitenproportioneel is, omdat een bestuursorgaan als de Belastingdienst binnen het bestuursrecht over uitgebreide bevoegdheden en middelen beschikt om de nakoming van fiscale verplichtingen af te dwingen. Het burgerlijke proces komt naar onze mening pas aan de orde als alle andere middelen zijn uitgeput, terwijl bovendien van een voor een kort geding vereiste spoedeisendheid in veel gevallen geen sprake is. Wij zijn benieuwd of deze voor de Belastingdienst positieve ervaringen met het civiele kort geding voor de staatssecretaris reden zijn om definitief af te zien van zijn aanvankelijke plannen tot invoering van een bestuurlijke fiscale dwangsom (zie FutD 2004-0768). Deze plannen trok hij in omdat de Tweede Kamer weerstand bood (zie FutD 2004-1932), maar de bewindsman beloofde eerst meer ervaring op te doen met het vorderen van een last onder dwangsom in het civiele traject ter naleving van de fiscale administratie- en informatieverplichtingen.

Bron:
Fida 20093424 - Arr.rb. Amsterdam 8 mei 2009 417661/KGZA09-106


Trustkantoor met billen bloot

Trustkantoor via kort geding gedwongen tot medewerking aan controle

Tradman BV was een trustkantoor. Van 1994 tot eind 2006 was A cliënt geweest van Tradman BV voor het administratieve beheer en bestuur van de Muvabi groep waarvan hij aandeelhouder was. Vanaf eind 2004 ging een groot aantal vennootschappen uit de Muvabi Groep failliet. De FIOD-ECD onderwierp A en de Muvabi Groep aan een onderzoek en verstrekte de opgespoorde gegevens aan de inspecteur. De inspecteur stelde in maart 2008 een derdenonderzoek in bij Tradman BV, omdat hij vermoedde dat meer gegevens over A en aan hem gerelateerde rechtspersonen in de administratie van Tradman BV aanwezig waren. Toen de advocaat van Tradman BV pas bleek te willen meewerken als de inspecteur exact aangaf van welke cliënten hij nader inzage wilde in de door Tradman BV gehouden administratie, spande de inspecteur een kort geding aan tegen Tradman BV. De voorzieningenrechter besliste dat het feit dat in de door Tradman BV overgedragen gegevens op de USB-stick andere bestanden waren aangetroffen die niet eerder aan de inspecteur waren overgedragen, het vermoeden rechtvaardigde dat zich op de computer van Tradman BV gegevens bevonden die van belang konden zijn voor de belastingheffing van A of aan hem gerelateerde rechtspersonen. De voorzieningenrechter wees de vordering van de inspecteur daarom toe. De inspecteur had volgens de voorzieningenrechter ook een spoedeisend belang bij zijn vordering in verband met de uiterlijke verjaringstermijn van twaalf jaar. Tradman BV moest binnen tien dagen na dit vonnis en onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag volledige en onvoorwaardelijke medewerking verlenen aan het onderzoek van de inspecteur.

Bron:
Fida 20093424 - Arr.rb. Amsterdam 8 mei 2009 417661/KGZA09-106


Spoedwet tegen afkoop lijfrente

Reparatiewetsvoorstel emigratieheffing pensioen en lijfrente ingediend

De Hoge Raad besliste op 19 juni 2009 dat het bij emigratie opleggen van conserverende aanslagen terzake van een pensioenaanspraken en lijfrenten in strijd was met belastingverdragen en met de goede verdragstrouw. Nog diezelfde dag kondigde de staatssecretaris een wetsvoorstel aan waarin hij maatregelen zou opnemen om de heffing over beide inkomensbestanddelen zeker te stellen. De staatssecretaris heeft het wetsvoorstel tot wijziging van enkele belastingwetten (Reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken) op 29 juni 2009 bij de Tweede Kamer ingediend. De Wet IB 2001 wordt zodanig aangepast dat in situaties waarin een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is die dateert uit de periode vóór de invoering van het regime van de conserverende aanslag per 1 januari 2001 en welke voorziet in een exclusieve woonstaatheffing terzake van (niet-periodieke) pensioen- en/of lijfrente-inkomsten, toch heffing kan plaatsvinden bij belastingplichtigen die in Nederland een belastingfaciliteit hebben gehad voor de premies voor pensioen of een lijfrente. De heffing vindt plaats naar de bedragen waarvoor bij de verwerving van de pensioen- of lijfrenteaanspraak een belastingvoordeel is genoten. Het betreffende bedrag wordt in situaties waarin de lijfrente- of pensioenuitkeringen zijn ingegaan en de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op dat moment lager is, echter niet tot een hoger bedrag in aanmerking genomen dan de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op dat moment. Het wetsvoorstel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met het tijdstip van indiening bij de Tweede Kamer, 29 juni 2009, om 12.00 uur.

Bron:
Fida 20092733 - Min. v. Fin. 26 juni 2009 DB/2009/352


Stormloop verwacht op afkopen lijfrentepolis

Fiscus behaalt nederlaag in strijd tegen pensioenvlucht

De Belastingdienst mag aan emigranten geen conserverende aanslag meer opleggen over in Nederland opgebouwde pensioenaanspraken. Dit heeft de Hoge Raad op 19 juni 2009 beslist in een drietal arresten naar aanleiding van drie uitspraken van Hof Den Bosch waartegen de staatssecretaris in cassatie was gegaan. Hof Den Bosch had beslist dat het opleggen van een conserverende aanslag terzake van een pensioenaanspraak in strijd was met belastingverdragen en met de goede verdragstrouw. In cassatie had de staatssecretaris gesteld dat daar geen sprake van was, omdat de nieuwe woonlanden waarnaar de belastingplichtigen waren geëmigreerd het heffingrecht over de toekomstige pensioenuitkeringen of afkoopsommen daarvan hadden en de Nederlandse conserverende aanslag daar niets aan veranderde. In de arresten waarnaar de belastingadviespraktijk reikhalzend uitkeek, heeft de Hoge Raad de staatssecretaris in het ongelijk gesteld. Volgens de Hoge Raad is de fictie op grond waarvan de waarde van de opgebouwde pensioenrechten bij emigratie als loon in de Nederlandse heffing wordt betrokken op een ondeelbaar moment voorafgaand aan de emigratie, in strijd met de goede trouw die bij de uitleg en toepassing van een belastingverdrag in acht moet worden genomen. De zaken betroffen die van drie belastingplichtigen die in 2001 naar respectievelijk Frankrijk, Korea en de Filippijnen waren geëmigreerd. De inspecteur had conserverende aanslagen opgelegd naar de waarde in het economische verkeer van de tot het tijdstip van emigratie bij in Nederland gevestigde pensioenfondsen opgebouwde pensioenaanspraken die als loon in aanmerking waren genomen op grond van artikel 3.83, lid 1, juncto artikel 3.146, lid 3, Wet IB 2001. De Hoge Raad concludeerde dat artikel 3.83, lid 1, Wet IB 2001 wegens strijd met de aan de orde zijnde belastingverdragen buiten toepassing moest blijven.

Bronnen:
Fida 20092586 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 44050
Fida 20092584 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 43978
Fida 20092587 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 07/13267
Fida 20092589 - Hoge Raad 19-6-2009, nr. 08/02288


Rechter geeft moskee belastingvoordeeltje

Turkse winkel vrij van Vpb door fictieve loonkostenaftrek

Stichting X was een religieuze organisatie die een moskee onderhield en in een aangrenzende aparte ruimte een kleine kruidenierswinkel in Turkse specerijen en specialiteiten exploiteerde. De opbrengsten van de winkel werden gebruikt voor het onderhoud van de moskee. Na sluitingstijd konden de bezoekers van de moskee wat te eten en te drinken halen en het geld hiervoor in de kassa leggen. Alle aan- en verkopen werden contant gedaan. In de winkel werkten alleen vrijwilligers die elkaar tijdens de openingstijden afwisselden. De vrijwilligers ontvingen voor hun werk geen enkele vergoeding van X. X stelde dat zij recht had op toepassing van de fictieve loonkostenaftrek van artikel 9, lid 1, j, Wet Vpb. Rechtbank Breda was het daarmee eens. De Rechtbank vond de door X op € 15.000 berekende omvang van de fictieve loonkostenaftrek niet onredelijk, omdat gedurende de openingstijden in elk geval één vrijwilliger in de winkel werkzaam was en het voltijds-minimumloon in 2004 € 16.391,81 bedroeg. Vervolgens besliste de Rechtbank dat X recht had op de subjectieve Vpb-vrijstelling ingevolge artikel 6 Wet Vpb, omdat bij X een algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond stond en zij geen winststreven had. Op grond van artikel 1 van het Vrijstellingsbesluit Vpb was een in artikel 6, sub a, Wet Vpb omschreven lichaam van Vpb vrijgesteld als de behaalde winst niet meer bedroeg dan € 7.500 per jaar. De inspecteur had de aanslag van X vastgesteld op een belastbaar bedrag van € 17.466. Na aftrek van de fictieve loonkostenaftrek van € 15.000 resteerde de behaalde winst van € 2.466. Dit was lager dan € 7.500, zodat X kon worden aangemerkt als een van Vpb vrijgesteld lichaam.

Bron:
Fida 20092439 - Rechtbank Breda 6-5-2009 AWB08/3980


Schenking crimineel onbelast

Stortingen op rekening van vriendin drugscrimineel waren geen schenkingen

De ongehuwde mevrouw X woonde met haar kind sinds 1997 op het adres waar zij volgens het bevolkingsregister van oktober 1999 tot oktober 2003 had samengewoond met drugscrimineel Y. Y was van februari 1998 tot februari 2000 gedetineerd. In die periode had hij regelmatig weekendverlof en later was hij thuis onder elektronisch toezicht. In oktober 2003 verhuisde X naar België. In september 1999 bleek uit een strafrechtelijk onderzoek dat Y leiding gaf aan een criminele organisatie. Y ging in (hoger) beroep en cassatie, maar voordat de Hoge Raad arrest had gewezen, werd hij in België geliquideerd. Op de bankrekening van X waren in 1999 en 2000 contante stortingen gedaan van € 37.113 in 1999 en € 87.126 in 2000. De inspecteur legde navorderingsaanslagen IB op over 1999 en 2000 waarbij hij de gestorte bedragen aanmerkte als andere inkomsten uit arbeid. Daarnaast legde de inspecteur aanslagen schenkingsrecht op met een boete van 50%. Hof Den Bosch vernietigde de navorderingsaanslagen. X ging in beroep tegen de aanslag schenkingsrecht 1999. Rechtbank Breda besliste dat Y het grootste deel van de tijd in 1999 en 2000 was gedetineerd. Daarvoor en daarna voerden X en Y, voorzover mogelijk, een gezamenlijke huishouding. De Rechtbank geloofde X erin dat Y de op de rekening gestorte bedragen had verstrekt voor de bekostiging van de huishouding. De Rechtbank vond uitgaven op jaarbasis van € 37.113 niet abnormaal hoog, gezien de luxueuze levensstijl, gezien het milieu waarin X en Y verkeerden en gezien de bedragen die daarin omgingen (het wederrechtelijk verkregen voordeel van Y was berekend op ruim € 1,2 mln). Volgens de Rechtbank had Y de gelden verstrekt om X in staat te stellen om de gezamenlijke huishouding overeenkomstig hun plaats in de samenleving te kunnen voeren. Uit niets bleek volgens de Rechtbank dat Y met die gelden X had willen bevoordelen. Daarbij was het volgens de Rechtbank niet van belang dat de gelden wellicht afkomstig waren uit een misdrijf. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20092200 - Rechtbank Breda 1-4-2009, nr. 07/2562


Fiscus moet geheime deals met multinationals tonen

Fiscaal up to Date wint WOB-proces handhavingsconvenanten

In 2005 startte de Belastingdienst een pilot met betrekking tot het zogenoemd horizontaal toezicht. De pilot betrof twintig grote bedrijven (multinationals) en met nagenoeg al deze ondernemingen werd een individueel handhavingsconvenant afgesloten. In het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verzocht Fiscaal up to Date de staatssecretaris de documenten ter beschikking te stellen waarin deze handhavingsconvenanten waren opgenomen (zie FutD 2007-0782 met ons commentaar). Het verzoek werd afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar trof hetzelfde lot (zie FutD 2007-2331 met ons commentaar). De staatssecretaris verwees naar een aan de Eerste Kamer toegezonden geanonimiseerde versie van een handhavingsconvenant (zie FutD 2006-1075) en stelde dat uit deze anonieme versie duidelijk bleek wat voor soort handhavingsconvenant met de Belastingdienst kan worden afgesloten. Fiscaal up to Date liet het er niet bij zitten en ging in beroep bij de bestuursrechter van Rechtbank Den Bosch.

Rechtbank Den Bosch stelde voorop dat de staatssecretaris in beginsel was gebonden aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), maar dat bekeken moest worden of hiervan op grond van artikel 67, lid 2, van de AWR ontheffing verleend zou kunnen worden. Bij de beoordeling hiervan moesten volgens de Rechtbank de maatstaven uit de WOB worden gehanteerd. Vervolgens besliste de Rechtbank, na met toepassing van artikel 8:29, lid 5, van de Algemene wet bestuursrecht kennis te hebben genomen van een viertal convenanten, dat deze - overwegend uniform geformuleerde - uitgangspunten bevatten over de wijze en intensiteit van het toezicht waarbij tevens het verleden werd betrokken. Volgens de Rechtbank was ook geen sprake van verbijzondering in het individuele geval, zodat er volgens de Rechtbank geen reden was van openbaarmaking af te zien in verband met een door de staatssecretaris gesteld zwaarwegend financieel belang. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de staatssecretaris niet duidelijk had gemaakt wat hij bedoelde met de stelling dat openbaarmaking moest worden geweigerd omdat dit tot een onevenredige bevoordeling of benadeling zou leiden van de partij waarmee het convenant was gesloten. Dit klemde volgens de Rechtbank te meer omdat, anders dan de staatssecretaris had gesteld, in geen enkel convenant een concreet handhavingsrisico werd benoemd. De Rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris de convenanten in geanonimiseerde vorm openbaar moest maken. De Rechtbank verwierp de stelling van de staatssecretaris dat hij hiertoe geen vergaringsplicht had; volgens de Rechtbank zou het verzamelen van de twintig door Fiscaal up to Date opgevraagde convenanten geen aanleiding geven tot een bijzonder of inspannend onderzoek. De Rechtbank verklaarde het beroep van Fiscaal up to Date gegrond en besliste dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank.

Rechtbank Den Bosch 28-4-2009, nr. 08/280 (Fida 20091898)

Ons commentaar
De aanvankelijke weerstand en scepsis tegen horizontaal toezicht is na de pilot met 20 zeer grote ondernemingen als sneeuw voor de zon verdwenen. Dat was op zich wel te verwachten want de relatie tussen de Belastingdienst en de zeer grote ondernemingen was altijd al gebaseerd op openheid en redelijkheid en de Belastingdienst is bij deze ondernemingen altijd al eerder dan bij andere belastingplichtigen geneigd geweest een oogje dicht te knijpen. De op horizontaal toezicht gebaseerde (individuele) handhavingsconvenanten genieten momentaal dan ook warme belangstelling van belastingplichtigen, de Belastingdienst en belastingadviseurs. De (grote en zeer grote) ondernemer is verheugd omdat hij van controles en lange vragenlijsten van de inspecteur af is, de Belastingdienst ziet het gat van het gebrek aan menskracht gevuld met de veronderstelde zelfreinigende werking die van het horizontale toezicht moet uitgaan en de belastingadviseur ziet een stuk broodwinning aan hem voorbij gaan, maar wordt over de streep getrokken met een sectorconvenant of de belofte dat bij de klant fiscaal oud zeer wordt opgeruimd.

Ofschoon wij willen aannemen dat horizontaal toezicht tot een efficiëntere uitvoering van de belastingwetten bij (vooral) de (zeer) grote ondernemingen kan leiden, willen wij, als "vierde macht", toch kritische kanttekeningen maken bij het gejuich en applaus. Deze betreffen niet alleen het ontbreken van een voor ieder kenbare definitie van het begrip horizontaal toezicht c.q. handhavingsconvenant en het ontbreken van voor ieder kenbare criteria met betrekking tot het aangaan en beëindigen ervan, maar ook en vooral het besloten karakter, waardoor controle op het overheidshandelen onmogelijk wordt. Openbaarmaking is noodzakelijk zodat iedere belastingplichtige - burger of bedrijf -, de politiek en de media kunnen toetsen of de fiscale behandeling plaatsvindt binnen bestaande wet- en regelgeving, waardoor gelijke gevallen niet ongelijk worden behandeld. Wij zijn dan ook verheugd en trots dat ook de bestuursrechter van Rechtbank Den Bosch tot de slotsom is gekomen dat transparantie op dit punt geboden is en dat de gevraagde handhavingsconvenanten daarom in geanonimiseerde vorm openbaar moeten worden gemaakt.

Rechterlijke procedures duren lang. Dat geldt helaas ook voor WOB-procedures. Een van de grote nadelen daarvan is dat kennis en inzicht in de loop van de deze lange tijd veranderen. Ons inzicht over de noodzaak en verplichting tot openbaarmaking van (ook) de individuele handhavingsconvenanten is in de afgelopen vier jaar echter niet veranderd. Wat wel is veranderd, is ons inzicht over de omvang van het gevraagde. Wij hebben ons verzoek beperkt tot de eerste twintig tussen de Belastingdienst en multinationals gesloten convenanten. Inmiddels zijn er veel meer individuele convenanten gesloten, en het doel van de Belastingdienst is om met alle 1.500 grootste bedrijven van Nederland handhavingsconvenanten sluiten. De uitspraak van de bestuursrechter biedt wat dit betreft perspectieven voor de openbaarmaking van deze convenanten. De staatssecretaris kan zich wat dit betreft niet zonder meer verschuilen achter het ontbreken van een vergaringsplicht, aldus de Rechtbank. Dit dossier is dan ook nog niet gesloten. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de verdere ontwikkelingen.

Bron:
Fida 20091898 - Rechtbank Den Bosch 28-4-2009, nr. 08/280


Aankopen van rijksmonument stuk goedkoper

Verkrijging monument door natuurlijk persoon vrij van overdrachtsbelasting

X verkreeg in 2005 een (rijks)monumentenpand. Hij claimde op grond van het gelijkheidsbeginsel de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, p, WBR voor monumentenrechtspersonen. Volgens Rechtbank Den Haag was deze vrijstelling welbewust beperkt tot verkrijgingen door rechtspersonen die zich hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel stelden. Verkrijgingen door natuurlijke personen waren uitgezonderd, omdat de wetgever bij die verkrijgingen het kennelijk niet voldoende gewaarborgd vond dat de vrijstelling ten goede zou komen aan de instandhouding van het betreffende monument. X ging in hoger beroep en herhaalde dat sprake was van discriminatie omdat de vrijstelling gold ter bevordering van het instandhouden van monumenten, en dat daarbij niet van belang was of het monument in stand werd gehouden door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon. Hof Den Haag was het met X eens dat de beperking van de vrijstelling tot verkrijgingen door rechtspersonen tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling leidde. Volgens het Hof was niet duidelijk waarom bij rechtspersonen meer zekerheid zou bestaan met betrekking tot het oogmerk het monumentenpand in stand te houden dan bij natuurlijke personen. Het Hof besloot zelf in het rechtskort te voorzien, verklaarde het hoger beroep van X gegrond en verklaarde de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing op zijn verkrijging van het monumentenpand.

Bron:
Fida 20091935 - Hof Den Haag 1 mei 2009 BK-07/00421


Senator Russell is schuldig aan kunstsmokkel

Met kunstwerk betreden van groene kanaal was smokkel

X kwam op 16 juni 2003 per vliegtuig vanuit Zwitserland als vliegtuigpassagier aan op Schiphol. In zijn handbagage zat een waardevolle pentekening die X had gekocht in de VS. In de aankomsthal liep X door het groene kanaal. Direct na het betreden van het groene kanaal en voordat hij de uitgang van de hal had bereikt, werd hij aangesproken door een douaneambtenaar met de vraag of hij iets had aan te geven. X beantwoordde de vraag ontkennend. De douaneambtenaar doorzocht de bagage van X en trof het kunstwerk aan. De Zwitserse douaneautoriteiten hadden tevoren de Nederlandse douaneautoriteiten erover geïnformeerd dat X zich op 16 juni 2003 voor de betreffende vlucht had ingecheckt met een pentekening in zijn bagage, die voor definitieve uitvoer uit Zwitserland was aangegeven. De Douanekamer van Hof Amsterdam was het met de inspecteur eens dat X BTW was verschuldigd wegens het onregelmatig binnenbrengen c.q. smokkel van goederen. X ging in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd. Voor goederen die in de bagage van een reiziger van buiten het grondgebied van de EU binnenkwamen, moest een douaneaangifte worden gedaan. Voor goederen die voldeden aan de in de artikelen 230 en 232 van de Uitvoeringsverordening CDW vermelde voorwaarden kon deze aangifte op de luchthaven Schiphol geschieden door het gebruik van het zogenoemde groen kanaal "niets aan te geven". Andere in de bagage meegevoerde goederen konden volgens de Hoge Raad niet op deze wijze worden aangegeven. Daarvoor moest een mondelinge of een schriftelijke aangifte worden gedaan. Als geen aangifte was gedaan, was sprake van invoer van deze goederen op het tijdstip waarop het groene kanaal werd betreden, dat wil zeggen op het tijdstip waarop de reiziger het bord met de aanduiding "niets aan te geven" of de kenbare, ter plaatse daartoe aangebrachte scheidslijn passeerde.

Bron:
Fida 20091615 - Hoge Raad 10 april 2009 07/10432


Monument fiscaal aantrekkelijk

Onderhoudskosten Belgisch monumentenkasteel in Nederland aftrekbaar

Nederlander X was in december 2004 verhuisd naar een kasteel in België, waarvan hij eigenaar was. Het kasteel en de omgeving waren wettelijk beschermd als monument respectievelijk dorpsgezicht voor de Vlaamse Gemeenschap. X genoot in Nederland inkomsten uit tegenwoordige arbeid en had voor 2004 geopteerd voor binnenlandse belastingplicht. X trok in zijn aangifte IB de onderhoudskosten van het kasteel af als persoonsgebonden aftrek in verband met uitgaven voor een monumentenpand. De inspecteur accepteerde de uitgaven niet omdat het kasteel niet was ingeschreven in het monumentenregister. X ging in beroep en stelde dat de beperking van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden tot monumenten die waren ingeschreven in de Nederlandse registers in strijd was met de artikelen 39,43 of 56 EG-verdrag. Rechtbank Breda besliste dat geen sprake was van een belemmering van het vrij verkeer van werknemers of van de vrijheid van vestiging. De Rechtbank was het echter wel met X eens dat sprake was van een belemmering van het vrije kapitaalverkeer. De Rechtbank besliste vervolgens dat de Belgische wetgeving op het gebied van de IB een soortgelijke regeling kende voor de aftrek van onderhouds- en reparatiekosten. De regeling van beschermde monumenten zoals neergelegd in het decreet kwam in hoofdlijnen overeen met de bepalingen in de Monumentenwet. Uit de beschrijving van het kasteel en de bepalingen van het decreet leidde de Rechtbank af dat het aannemelijk was dat het kasteel, als dit in Nederland zou zijn gelegen, in een register zoals bedoeld in de Monumentenwet kon worden ingeschreven. Dat inschrijving van het kasteel in een Nederlands register niet mogelijk was, omdat die registers alleen openstonden voor in Nederland gelegen monumenten, kon volgens de Rechtbank niet aan X worden tegengeworpen. De Rechtbank besliste dat het verschil in behandeling van monumenten die wel en monumenten die niet in de Nederlandse registers waren ingeschreven, geen betrekking had op situaties die niet objectief vergelijkbaar waren. In zoverre bestond er dus geen objectieve rechtvaardiging voor dit verschil in behandeling. De Rechtbank besliste dat de kosten in aftrek moesten worden toegelaten en verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20091517 - Arr.rb. Breda 26 februari 2009 AWB07/3006


Fiscus hoeft niet in Ferrari te rijden

Staat had geen zorgplicht ten aanzien van in beslag genomen Ferrari

De inspecteur legde begin 2001 voor € 300.000 aan aanslagen op aan mevrouw X, haar echtgenoot Y en hun onderneming. Op 22 maart 2001 werd voor bijna € 400.000 conservatoir beslag gelegd op een pand van Y en conservatoir derdenbeslag op een aantal roerende zaken, waaronder een Ferrari F 40. Na het overlijden van Y, bereikte mevrouw X in mei 2006 een compromis waarbij het totaalbedrag van de opgelegde aanslagen werd verlaagd tot € 120.000. In maart 2007 werd het beslag op de Ferrari opgeheven. In juni 2007 stelde mevrouw X de Belastingdienst aansprakelijk en vorderde een schadevergoeding van bijna € 150.000 wegens een onrechtmatige daad. De civiele kamer van Rechtbank Den Haag verwierp de stelling van mevrouw X dat de Staat onrechtmatig had gehandeld bij de uitvoering van het beslag omdat door het lange stilstaan schade aan de Ferrari was ontstaan. De zorgplicht van de Staat als bewaarder van in beslag genomen auto's strekte volgens de Rechtbank niet zo ver dat de Staat regelmatig de voertuigen moest laten rijden of de motor moest laten draaien zodat die in optimale staat bleef. De Staat had niet onrechtmatig gehandeld en was niet toerekenbaar tekort geschoten in een op haar rustende zorgplicht. De Rechtbank wees de vordering af.

Bron:
Fida 20091457 - Arr.rb. Den Haag 11 februari 2009 297810/HAZA07-3376


Woz lager dankzij foto's

Deplorabele staat van garage en tuinmuurtjes drukten WOZ-waarde fors

De gemeente Borsele had de vrijstaande woning van X per 1 januari 2005 vastgesteld op € 320.000. X ging in beroep en bepleitte een waarde van maximaal € 243.000. Hof Den Haag besliste dat de door de gemeente aangedragen verkoopprijzen van de referentieobjecten de waarde van de woning van X onvoldoende onderbouwden. Verder had de gemeente volgens het Hof onvoldoende rekening gehouden met uit de door X overgelegde foto's blijkende onderhoudsgebreken van de garage en de deplorabele toestand van de (af)scheidingsmuurtjes rondom de tuin. Anderzijds had X de door hem bepleite waarde ook onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hij had geen taxatierapport overgelegd en had slechts verwezen naar de WOZ-waarde zoals die voor het vorige waarderingstijdvak was vastgesteld en daar 10% bij opgeteld. De WOZ-waarde van het vorige tijdvak met als waardepeildatum 1 januari 2003 kon niet als uitgangspunt gelden, omdat de waarde voor elk tijdvak aan de hand van marktgegevens rond de waardepeildatum moest worden bepaald. Het Hof stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 280.000.

Bron:
Fida 20091232 - Hof Den Haag 13 januari 2009 BK-08/00066


Forse nota fiscus voor dga

Incidenteel dividend mocht in volgend jaar niet tot voorlopige aanslag leiden

X ontving in 2007 EUR 150.000 dividend van BV Y waarvan hij alle aandelen hield. X had terzake van dat dividend om een voorlopige aanslag (VA) IB verzocht. Dat leidde tot een VA over 2007, maar in januari 2008 ook tot een VA over 2008. X ging tegen de VA over 2008 in bezwaar omdat het dividend in 2007 incidenteel was geweest. Aan het bezwaar werd door de inspecteur tegemoet gekomen, maar de inspecteur kwam niet tegemoet aan het verzoek van X om een proceskostenvergoeding. X ging in beroep. Rechtbank Breda besliste dat uit artikel 23 Uitvoeringsregeling AWR volgde dat de inspecteur bij het opleggen van een VA over een zekere marge beschikte. De Rechtbank vond dat de inspecteur die marge in het geval van X had overschreden omdat uit het dividendverleden van BV Y bleek dat het uitkeren van dividend en het genieten van dat dividend door X, niet gebruikelijk was en dat X in 2007 een incidentele bate had genoten. De Rechtbank hechtte daarbij waarde aan de eenmalige, uitsluitend voor het jaar 2007 geldende verlaging van het tarief als bedoeld in artikel 2.12 Wet IB 2001. De Rechtbank besliste dat de inspecteur, door zich bij het opleggen van de VA over 2008 uitsluitend te baseren op de VA 2007, niet zorgvuldig had gehandeld. De Rechtbank kende X een vergoeding van EUR 80,50 toe voor het bezwaarschrift en EUR 322 voor de beroepsprocedure.

Bron:
Fida 20090617 - Arr.rb. Breda 22 januari 2009 08/3278


Fraudeur wil baan bij fiscus terug

Strafontslag belastingambtenaar wegens begunstiging bij inning van familielid

Bij een strafrechtelijk onderzoek naar een bedrijf dat vermoedelijk valse facturen gebruikte, werd de laptop in beslag genomen van de enige aandeelhouder mevrouw A. Daarop werd e-mailcorrespondentie aangetroffen tussen mevrouw A en haar familielid X. X werkte bij de Belastingdienst op de afdeling invordering. Uit een disciplinair onderzoek bleek dat X in strijd met het beleid van de Belastingdienst posten van een familielid had behandeld en zowel mevrouw A als haar bedrijf had bevoordeeld door teruggaven niet te verrekenen met openstaande aanslagen. Verder zou hij voor mevrouw A en haar bedrijf fiscale werkzaamheden tegen betaling hebben verricht. In augustus 2006 werd X wegens zeer ernstig plichtsverzuim ontslagen. Rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van X tegen zijn ontslag ongegrond, waarna X in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep besliste dat X in strijd met de regels en voorschriften en ondanks dat hij daarop door zijn collega's was aangesproken, het beheer was blijven voeren over de fiscale aangelegenheden van mevrouw A en haar bedrijf. X had volgens de Centrale Raad niet in goed vertrouwen of uit naïviteit gehandeld. Controle op verrekenmogelijkheden behoorde namelijk tot de kerntaken van de invorderaar. De Staat was door die uitbetalingen benadeeld, omdat de vorderingen nadien oninbaar waren gebleken. Het plichtsverzuim van X raakte volgens de Centrale Raad de kern van zijn functioneren als belastingambtenaar en moest als zeer ernstig worden gekwalificeerd. X was zich volgens de Centrale Raad er ook van bewust dat hij de grenzen van het toelaatbare overschreed en dat hij mevrouw A in strijd met zijn verplichtingen had bevoordeeld.

Bron:
Fida 20091114 - CRvB 19 februari 2009 07/4146


Afscheidsborrel als aftrekpost

Kosten van afscheidsborrel oud-belastingmedewerker waren aftrekbaar

X werkte tot 1 juni 2003 bij de Belastingdienst. Daarna startte X met ene D een maatschap en ging werken als belastingkundige. Eind 2003 had X twee opdrachtgevers waaronder F, een belastingadvieskantoor. In 2004 had X naast F nog twee andere opdrachtgevers. In 2003 werkte X voor het overgrote deel voor F. F had een aansprakelijkheidsverzekering, maar X had die niet. X en D ontvingen van F jaarlijks minimaal € 160.000 waarbij zij ieder 600 uren moesten maken. Voor het meerdere ontvingen zij een uurvergoeding en daarnaast een maandelijkse kostenvergoeding voor onder meer vakliteratuur, telefoon en IT. Op basis van vooroverleg met de Belastingdienst hield F loonheffing in op de werkzaamheden van X. In april 2003 hield X een borrel voor 250 mensen. Daarbij waren voornamelijk mensen van de Belastingdienst, het Ministerie van Financiën, de rechterlijke macht, F en de overige advieswereld aanwezig. De borrel was georganiseerd door oud-collega's van X bij de Belastingdienst. De Belastingdienst droeg € 500 bij in de kosten. De overige kosten bracht X voor 90% in mindering op de winst uit onderneming. De inspecteur accepteerde dit niet omdat hij vond dat geen sprake was van winst uit onderneming. X ging in beroep. Rechtbank Haarlem besliste dat was voldaan aan het vereiste van zelfstandigheid van X ten opzichte van F omdat X niet deelnam aan de gebruikelijke pensioen-, ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daarnaast vond de Rechtbank het aannemelijk dat X zich richting F niet wilde binden en dat daarom was gekozen voor de positie van extern adviseur. De Rechtbank vond het ook niet aannemelijk dat F bevoegd was X inhoudelijke instructies en aanwijzingen te geven en vond dat een gezagsrelatie tussen X en F niet aanwezig was. Dat X zich naar klanten van F niet bekendmaakte als zelfstandige en geen melding maakte van een eigen kantooradres vond de Rechtbank daarbij niet van belang omdat het volgens de Rechtbank aannemelijk was dat X zich naar F en de overige opdrachtgevers presenteerde als zelfstandige. De Rechtbank besliste dat de kosten van de borrel aftrekbaar waren. Volgens de Rechtbank was de borrel bedoeld om naamsbekendheid te krijgen en zodoende opdrachten binnen te halen. Hierbij nam de Rechtbank in aanmerking dat niet alleen belastingambtenaren, maar ook belastingadviseurs, wetenschappers, leden van de rechterlijke macht en medewerkers van het Ministerie van Financiën waren uitgenodigd. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20090614 - Arr.rb. Haarlem 30 januari 2009 AWB08/3992


Ondernemer mag bruilof als bedrijfsfeest aftrekken

Kosten van huwelijk van toekomstige nieuwe directeur geen loon

A was werkzaam bij BV X en bezat 1/3 van de aandelen. Zijn vader bezat de overige aandelen van BV X. A was de beoogd opvolger van zijn vader als bestuurder van BV X. In 2004 gaf A een huwelijksfeest waarvoor 145 personen waren uitgenodigd, waaronder 61 zakelijke relaties van BV X. BV X nam 61/145e deel van de kosten van het feest (€ 6.712) voor haar rekening. De inspecteur legde daarvoor een naheffingsaanslag LB op aan BV X. Rechtbank Arnhem besliste dat een huwelijk in zijn algemeenheid van zodanig persoonlijke aard was dat met de daaraan verbonden kosten geen zakelijk belang werd gediend. In dit geval was echter sprake van bijzondere omstandigheden, die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigden. Volgens de Rechtbank hadden privé-motieven geen rol gespeeld bij de beslissing de zakelijke relaties voor het huwelijk uit te nodigen. Het was voor BV X van groot belang dat haar zakenrelaties in een informele sfeer kennis konden maken met de toekomstige directeur en zijn huwelijk vormde daarvoor een goede gelegenheid. Een evenredig deel van de variabele kosten van de huwelijksfestiviteiten vormde volgens de Rechtbank kosten ter behoorlijke invulling van de (toekomstige) dienstbetrekking van A in de zin van artikel 15, onderdeel a, Wet LB. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20090603 - Arr.rb. Arnhem 17 november 2008 AWB08/176


Fiscus geeft extremisten geld terug

Mogelijke geweldsacties onvoldoende om ANBI-status te onthouden

De in 1989 opgerichte stichting X gaf geld aan actiegroepen die buitenparlementaire acties voerden voor een andere maatschappij. Daarnaast steunde zij incidenteel landelijke acties op het gebied van mensenrechten, feminisme, milieu, anti-racisme, dierenstrijd en anti-militarisme. X was tot en met 2007 aangemerkt als algemeen nut beogende instelling (ANBI), maar vanaf 2008 wees de inspecteur de ANBI-status af, omdat de door X ondersteunde activiteiten van dien aard waren dat deze soms aanleiding gaven tot geweld. Rechtbank Haarlem besliste dat de enkele omstandigheid dat niet bij voorbaat kon worden uitgesloten dat bij de door X gesteunde acties geweld zich in enigerlei vorm maar dan wel in beperkte mate zou kunnen voordoen (zoals het knippen van gaten in een hek of het zich vastmaken aan spoorrails) onvoldoende was om X de status van ANBI te onthouden. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20090512 - Arr.rb. Haarlem 3 december 2008 AWB08/4342


Liever de koopman spelen dan dominee

Antwoord op kamervragen over convenant met sekswerkers

De staatssecretaris heeft antwoord gegeven op vragen van de Tweede-Kamerleden Remkes, Weekers, Omtzigt, mevrouw De Pater-Van der Meer en Cramer (zie FutD 2008-2640) naar aanleiding van de berichtgeving in Fiscaal up to Date over het convenant dat de Belastingdienst met de prostitutiebranche heeft gesloten en het bijbehorende voorwaardenpakket (zie FutD 2008-2578 met ons commentaar).

De Belastingdienst heeft volgens de staatssecretaris naar zijn eigen oordeel de feiten en omstandigheden beoordeeld en binnen de vigerende wet- en regelgeving een vaststellingsovereenkomst gesloten. Kernpunt daarvan is volgens de staatssecretaris dat exploitant en sekswerkers gebruik maken van artikel 4, onderdeel f, van de Wet loonbelasting (LB). Daarmee vallen zij onder het regime van de LB en kunnen zij gebruik maken van alle mogelijkheden die de Wet LB biedt, zoals het geven van onbelaste vergoedingen, daar waar de werknemer ook kosten heeft gemaakt. Onderdeel van het bij de vaststellingsovereenkomst behorende voorwaardenpakket is de mogelijkheid een, door de inspecteur te beoordelen, onbelaste kostenvergoeding toe te kennen aangezien er volgens de staatssecretaris ook kosten worden gemaakt. Op basis van ervaringscijfers heeft de inspecteur volgens de staatssecretaris de vergoedingsregeling met de branche besproken en zijn de wettelijke mogelijkheden en beperkingen toegepast. De toetsing van de feiten en omstandigheden aan wet- en regelgeving heeft volgens de staatssecretaris geleid tot het percentage van 20%. In veel situaties bleek dit percentage volgens de staatssecretaris alleen al voor de reiskosten hoger te liggen. De belangrijkste kostensoorten waar de vergoedingsmogelijkheid op ziet zijn kosten van vervoer (openbaar vervoer, eigen auto of taxivervoer), attributen, telefoonkosten e.d. Kosten van gangbare kleding en van persoonlijke verzorging zijn daarbij volgens de staatssecretaris als niet vrij vergoedbaar aangemerkt. De gemaakte afspraken betekenen volgens de staatssecretaris niet dat ook andere werknemers, zoals leden van een orkest die beroepshalve in gepaste kleding moeten verschijnen, een korting op het loon voor beroepskosten mogen aftrekken.

De staatssecretaris verwacht dat de vaststellingsovereenkomst in deze branche goed zal werken. De duidelijkheid over de fiscale positie zal volgens hem leiden tot minder geschillen waardoor de Belastingdienst zich met specifieke handhavingswerkzaamheden meer en meer kan richten op het niet-compliante, en veelal anonieme deel, van de branche. Waar nodig en wenselijk kan met een juiste feitelijke onderbouwing, te beoordelen door de inspecteur, volgens de staatssecretaris ook in andere branches een soortgelijke overeenkomst worden gesloten.

Ministerie van Financiën 16-1-2009, nr. DGB2008-06734 (Fida 20090325) en nr. DGB2008/6727 (Fida 20090326)

Ons commentaar
In dit commentaar gaan wij nader in op enige fiscale aspecten in de sekswerkersbranche waaraan de staatssecretaris voorbij gaat in de beantwoording van de kamervragen:

A. De 20%-vergoeding
In het voorwaardenpakket en de daaraan gekoppelde vaststellingsovereenkomst (VSO) met de prostitutiebranche staat het volgende (wij citeren):

"3. Van de aan de Sekswerker toekomende inkomsten (exclusief omzetbelasting) wordt voor de Loonheffing een gedeelte ter grootte van 20% aangemerkt als een fiscaal onbelaste onkostenvergoeding ter dekking van de door de Sekswerker voor eigen rekening te maken kosten voor de uitoefening van haar/zijn werkzaamheden."

De hierover in ons commentaar in FutD 2008-2578 gemaakte ophef, leidde tot een tweetal kamervragen. De reden van de ophef, wij herhalen het nog maar eens, is dat de vrije vergoeding van 20% in strijd is met de wet. Een vrije vergoeding van kosten kan volgens de regels in de loonbelasting niet worden uitgedrukt in een vast percentage van de inkomsten, omdat kosten nu eenmaal niet afhankelijk zijn van inkomsten. Een kostenvergoeding in een vast bedrag kan slechts worden toegekend na een gedetailleerd onderbouwd overzicht van beroepskosten van werknemers die tot een zogenoemde homogene groep in een bepaald bedrijf behoren. De Belastingdienst houdt normaliter streng de hand aan zowel de eis van de met originele bewijsstukken gestaafde kosten als de eis van homogeniteit. Bovendien huldigt de Hoge Raad deze strenge eisen ook, getuige het arrest van 23 januari 2009 (zie FutD 2009-0185 in deze aflevering) waarin de Hoge Raad in r.o. 5.1. nog eens expliciet overweegt dat vaste vergoedingen niet tot het loon behoren, voorzover deze per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang van de kosten zijn gespecificeerd. De 20%-vergoeding voldoet aan geen van de wettelijke eisen en is in wezen een vermomde belastingkorting. Wat de Belastingdienst de prostitutiebranche toestaat, is wettelijk dus niet toegestaan. De Belastingdienst handelt contra legem.

Voor sekswerkers die in loondienst werken of onder het voorwaardenpakket werkzaam zijn, geldt in elk geval tot 1 januari 2014 een uitzondering. Zij kunnen zonder enige onderbouwing en zonder enig bewijs 20% van hun inkomsten onbelast vergoed krijgen. Uit het NRC-weblog van Aertjan Grotenhuis blijkt dat NOC*NSF al jaren probeert een vaste kostenvergoeding voor haar A-topsporters te krijgen. De Belastingdienst staat dat niet toe, terwijl dit ook een beroepsgroep betreft, die sterk afhankelijk is van zijn/haar eigen lichaam. Volgens de blogger van NOC*NSF zit het probleem bij deze beroepsgroepen voor de Belastingdienst in de (para)medische kosten en de persoonlijke verzorging. Deze uitgaven zijn essentieel voor verantwoorde topprestaties, maar ze mogen niet onbelast worden vergoed. Daarnaast is de hoogte van de vergoeding van 20% van de inkomsten voor een categorie sekswerkers ronduit riant te noemen. In geen enkele andere bedrijfstak is de Belastingdienst bereid te praten over zo'n (hoog) vast percentage van beroepskosten. Wat de Belastingdienst voor sommigen in de prostitutiebranche toestaat, staat de Belastingdienst anderen niet toe. De Belastingdienst handelt daardoor in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

B. Invoering fictieve dienstbetrekking zonder oordeel Tweede Kamer
De relatie tussen de exploitant en sekswerker wordt met ingang van 1 januari 2009 aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking, tenzij akkoord wordt gegaan met het voorwaardenpakket. De invoering van de fictieve dienstbetrekking voor sekswerkers is in geen enkele wet opgenomen. In de gebruikelijke in het najaar bij de Tweede Kamer in te dienen wetsvoorstellen, zoals het Belastingplan of het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen, werd hierover met geen woord gerept. De fictieve dienstbetrekking werd bij algemene maatregel van bestuur ingevoerd en die werden vlak voor het jaareinde in het Staatsblad geplaatst (zie FutD 2009-0032). Deze regelingen werden, zonder dat daaraan vooraf enige ruchtbaarheid werd gegeven in bijvoorbeeld het Belastingplan 2009 of het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2009, naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin werd verwezen naar het voorwaardenpakket (de VSO werd niet bijgevoegd), maar de 20%-vergoeding kwam daarin niet aan de orde. Het is duidelijk de bedoeling geweest om de Tweede Kamer hiervan niet op de hoogte te brengen. Om het doel van het heffen en innen van belasting bij deze moeilijk in de greep te krijgen branche te bereiken, heeft de Belastingdienst een overeenkomst met een branche gesloten waarvan de belangrijkste onderdelen bewust aan het zicht van de Tweede Kamer zijn onttrokken.

C. Fictieve dienstbetrekking
Op grond van artikel 2ca van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting en artikel 5a van het Besluit van 24 december 1986, tot aanwijzing van gevallen waarin een arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd wordt de arbeidsrelatie van een sekswerker met ingang van 1 januari 2009 aangemerkt als een dienstbetrekking. Volgens de nota van toelichting in het Staatsblad (zie FutD 2009-0032) zijn arbeidsrelaties in de prostitutiebranche vrijwel altijd aan te merken als een dienstbetrekking. Dit is onjuist. Bij raamprostitutie is doorgaans sprake van de uitoefening van een vrij beroep (dit wordt ook door de Belastingdienst erkend). Dit geldt ook voor thuiswerkers en dienstverleners in hotels of andere locaties. Bij seksuele dienstverlening in besloten clubs hangt het van de feiten en omstandigheden af of sprake is van een dienstverband. Alleen als wordt voldaan aan bij ministeriële regeling nader te stellen regels, wordt de arbeidsrelatie niet als (fictieve) dienstbetrekking beschouwd (zie FutD 2009-0029). In dat geval wordt uitgegaan van een fictieve dienstbetrekking als de VSO met het bijbehorende voorwaardenpakket wordt getekend. Volgens gemachtigden in deze branche leidt de fictieve dienstbetrekking tot rechtsongelijkheid binnen de groep van (seksuele) dienstverleners, omdat slechts een klein deel van de branche (circa 25%) daardoor wordt bestreken. Bovendien kan de fictieve dienstbetrekking alleen maar worden geëffectueerd als de kamerverhuurder tot betaling van een beloning aan de sekswerkers zou zijn gehouden. Gemachtigden verwachten daarover een reeks van procedures, want doorgaans wordt de sekswerker door de klant betaald.

D. Fiscale amnestie in ruil voor handtekening onder VSO
Uit de vele uitgebreide reacties die wij van lezers ontvingen naar aanleiding van het bericht in Fiscaal up to Date blijkt dat de Belastingdienst in maart 2008 is gestart met het onder druk zetten van kamerverhuurbedrijven om het voorwaardenpakket, dat geen enkele wettelijke verankering kende, ondertekend te krijgen. Aan de exploitanten werd mondeling toegezegd dat voorlopig geen fiscale controle zou plaatsvinden en reeds aangekondigde en opgelegde navorderings- en naheffingsaanslagen met boeten zouden worden vernietigd, als de VSO met daarbij het voorwaardenpakket werd ondertekend. Van diverse zijden is ons meegedeeld dat de Belastingdienst exploitanten via misbruik van controlebevoegdheden onder druk heeft gezet - en dat nog steeds doet - een VSO inzake toepassing van het voorwaardenpakket aan te gaan. Verder zou de opmerking in de aan de Tweede Kamer gezonden nota van toelichting bij het Staatsblad (zie FutD 2009-0032), dat afspraken zijn gemaakt met belangengroeperingen voor sekswerkers en exploitanten, bezijden de waarheid zijn. Voort wordt betwijfeld dat de met deze branche getroffen regeling werkelijk een succes-story is. Ongeveer 70% van de bedrijven heeft de VSO en het voorwaardenpakket getekend, en dit percentage is, zoals gezegd, met name bereikt door het dreigen en knijpen van de exploitanten totdat zij piepten. Slechts 25% van de betrokkenen heeft de VSO en het voorwaardenpakket getekend, en dit percentage is - zoals gezegd - met name bereikt door het knijpen van de exploitanten en sekswerkers, totdat zij piepten. De Belastingdienst was bereid te berusten in de over het verleden niet-geheven en geïnde, maar wel verschuldigde, belasting mits de exploitanten instemden met de VSO en het voorwaardenpakket. Verder zijn in de VSO de beëindigingsgronden zeer eenzijdig geregeld. Er geldt een opzegtermijn van drie maanden en pas per 1 januari 2010, maar de Belastingdienst kan eerder opzeggen als de overeenkomst door de rechter ongeldig wordt verklaard. Daarnaast kan de Belastingdienst de spelregels eenvoudig wijzigen via wetgeving van de staatssecretaris, die op dat moment als wetgever optreedt, die automatisch doorwerkt in de VSO. Insiders verwachten dat het voorwaardenpakket averechts zal uitpakken. Men vermoedt met name dat door de invoering van de fictieve dienstbetrekking een deel van de prostitutie zich aan het zicht van de overheid gaat onttrekken. De regelgever beseft dit waarschijnlijk ook want volgens de nota van toelichting leveren de maatregelen (per saldo) niets op voor de schatkist.

Wij zijn benieuwd of de vragenstellers van de Tweede Kamer genoegen nemen met de onware, onjuiste en misleidende antwoorden van de staatssecretaris.

Bron:
Fida 20090325 - Min. v. Fin. 16 januari 2009 DGB/2008-06734
Fida 20090326 - Min. v. Fin. 16 januari 2009 DGB/2008/6727

Zie ook:
weblog NRC


Meewerkende partner kan zelfstandigenaftrek krijgen

Eega van tandtechnicus had recht op zelfstandigenaftrek

Mevrouw X en haar man Y dreven sinds 1991 een tandtechnisch laboratorium in de vorm van een v.o.f. Y was tandtechnicus en beschikte over de vereiste diploma's. Y zorgde voor het maken van protheses en frames en X haalde deze zaken op en bracht ze naar een vaste groep tandartsen, deed de facturering en verzorgde de dagelijkse administratie. Daarnaast verrichtte zij ook uitvoerende tandtechnische werkzaamheden. X ging in beroep tegen de navorderingsaanslag IB 2001 waarin de zelfstandigenaftrek niet was geaccepteerd omdat volgens de inspecteur sprake was van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van X ongegrond. Op het hoger beroep van X besliste Hof Arnhem dat uit de specificatie van de werkzaamheden bleek dat X, naast puur ondersteunende werkzaamheden, ook uitvoerende tandtechnische werkzaamheden verrichtte, zoals het repareren van gebitten en frames, het maken van gipsafdrukken, het monteren van gebitten, het testen en uitlezen van de registratie, het polijsten en het overleggen met tandartsen over opdrachten. Deze werkzaamheden werden weliswaar niet apart gefactureerd, maar waren wel omzetgenererende werkzaamheden, waaraan de onderneming haar bestaansrecht ontleende. Het Hof besliste dat deze werkzaamheden niet van ondersteunende aard waren en meer dan 30% van alle werkzaamheden omvatte die X per week gedurende het jaar verrichtte. Daarnaast leidde X het bedrijf zowel op commercieel als op organisatorisch vlak. Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20090316 - Hof Arnhem 24 december 2008 07/00334

Echtgenote van dierenarts was geen ondernemer

De echtgenoot (A) van mevrouw X was dierenarts. Mevrouw X was gediplomeerd paraveterinair-verpleegkundige. Met Y oefende zij met ingang van 1 januari 1996 in maatschapsverband een dierenartsenpraktijk uit. In de maatschapsovereenkomst was met betrekking tot de verdeling van de werkzaamheden overeengekomen dat alleen A in de maatschap als dierenarts werkzaam zou zijn, dat A persoonlijk verantwoordelijk was voor het diergeneeskundige werk en dat tussen partijen dan ook geen enkel samenwerkingsverband bestond voor de uitoefening van de diergeneeskundige praktijkwerkzaamheden. Verder was bepaald dat mevrouw X alle voorkomende werkzaamheden zou verrichten, zoals het verzorgen van de administratie waaronder de financiële administratie, het opvangen van patiënten, het verzorgen van afspraken, het schoonhouden van de praktijkruimte, het realiseren van investeringen en het assisteren bij behandelingen en operaties. Hof Den Bosch was het met de inspecteur eens dat mevrouw X in 2001 geen recht had op de zelfstandigenaftrek, omdat zij niet aan het urencriterium voldeed. Het Hof vond het aannemelijk dat de werkzaamheden van mevrouw X hoofdzakelijk bestonden uit de in de maatschapsovereenkomst opgesomde werkzaamheden, die ondersteunend van aard waren, omdat bij een dierenartspraktijk de dienstverlening door de dierenarts de werkzaamheden vormden waarmee de omzet gegenereerd kon worden. Mevrouw X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het Hof een juiste beslissing had genomen. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van mevrouw X ongegrond.

Bron:
Fida 20085107 - Hoge Raad 19 december 2008 43075

Eega verrichtte ondersteunende werkzaamheden in hoofdactiviteit van v.o.f.

Mevrouw Y en haar echtgenoot B startten in 1999 een v.o.f. In 2001 hield de v.o.f. zich bezig met advisering op het gebied van hei- en fundatietechniek en met het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. Mevrouw Y verrichtte correctiewerkzaamheden voor BV Z. Tot 1 september 2001 verrichtte zij deze werkzaamheden in loondienst en daarna gedurende 444 uren op factuurbasis. De omzet terzake van de sedert 1 september verrichte correctiewerkzaamheden rekenden zij en B tot de omzet van de v.o.f. De overige werkzaamheden van mevrouw Y bestonden uit de controle van heistaten, het opmaken van kwaliteitsrapporten, het doen van de administratie en het onderhouden van contacten met banken en de accountant. Hof Den Haag was het met de inspecteur eens dat mevrouw Y in 2001 geen recht had op de zelfstandigenaftrek, omdat zij niet aan het urencriterium voldeed. Mevrouw Y ging in cassatie. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond. Als sprake was van verschillende, binnen een samenwerkingsverband gedreven, ondernemingen moest per onderneming worden beoordeeld of de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard waren. Uit de uitspraak van het Hof bleek dat de correctiewerkzaamheden niet waren verricht ten behoeve van de in het firmaverband gedreven onderneming(en) waarin werd geadviseerd op het gebied van respectievelijk hei- en fundatietechniek en onderhoudswerkzaamheden. De door mevrouw Y gedurende 444 uren verrichte correctiewerkzaamheden moesten daarom buiten beschouwing blijven bij het antwoord op de vraag of haar werkzaamheden al dan niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard waren. Ten aanzien van haar overige werkzaamheden ten behoeve van de v.o.f. was duidelijk dat deze van ondersteunende aard waren. De Hoge Raad bevestigde de conclusie van het Hof dat mevrouw Y in 2001 niet voldeed aan het urencriterium.

Bron:
Fida 20085105 - Hoge Raad 19 december 2008 42092


Fiscus wil kinky kleding niet belasten

Convenant met prostitutiebranche openbaar

In juli 2008 kwam de Belastingdienst met belangengroepen voor sekswerkers en exploitanten in de prostitutiebranche een voorwaardenpakket overeen over de zelfstandigheid van de sekswerker, de uitbetaling van de inkomsten, het afdragen van belasting en de administratieve vastleggingen. Naar aanleiding hiervan moet de exploitant zelf een vaststellingsovereenkomst (vso) of convenant met de Belastingdienst sluiten en voldoen aan de voorwaarden die daarbij horen. Fiscaal up to Date heeft de documenten waarin deze vaststellingsovereenkomsten of convenanten zijn opgenomen bij het ministerie van Financiën opgevraagd en gekregen. Aan de verkregen vso ontlenen wij het volgende:

Bronnen:
Fida 20084907 - Belastingdienst Publicatiedatum onbekend Publicatienummer geen
Fida 20085084 - Tweede Kamer 17 december 2008 Publicatienummer onbekend
Fida 20085141 - Tweede Kamer 19 december 2008 2080908260


Fiscus blundert weer met aftrek

Fout met geautomatiseerde verliesverrekening niet navorderbaar

Mevrouw X deed via de aangiftesoftware van de Belastingdienst aangifte IB over 2001. Per abuis bracht zij in het programma € 1.327.919 aan rente en kosten ten behoeve van de eigen woning in aftrek. In werkelijkheid ging het om € 13.279,19. Via het geautomatiseerde proces van de Belastingdienst werd het oorspronkelijk vastgesteld verlies ad € 1.294.649, welke als gevolg van een administratieve fout nog was opgenomen in het systeem van de Belastingdienst, verrekend met het inkomen uit werk en woning over 2002 tot en met 2004. Hierdoor werd het belastbaar inkomen uit werk en woning in de betreffende jaren op nihil gesteld. Dit leidde voor X tot teruggaven van de ingehouden loonheffing. De inspecteur legde over 2002 tot en met 2004 navorderingsaanslagen op aan X, maar Rechtbank Arnhem heeft hier een stokje voor gestoken. Navordering was volgens de Rechtbank niet mogelijk, omdat sprake was van fouten die het gevolg waren van een onjuiste gegevensverwerking (door personen of automatiseringssystemen) welke voortvloeide uit een bepaalde werkwijze waarvoor binnen de Belastingdienst was gekozen. Dergelijke fouten kwamen, zoals de Hoge Raad reeds in zijn arresten van 14 april 2006 had beslist, voor rekening van de Belastingdienst.

Bron:
Fida 20090195 - Arr.rb. Arnhem 24 september 2008 AWB08/345


Fiscus vergeet successierecht

Door fout van fiscus achterwege gebleven succcessie-aanslagen niet navorderbaar

Mevrouw X overleed in 2001. Negen van haar neven en nichten waren bij testament benoemd tot erfgenaam. De gegevens uit de aangifte werden door een niet-fiscaal geschoolde medewerker van de Belastingdienst in het geautomatiseerde systeem ingevoerd. Na het invoeren van alle gegevens klikte de medewerker de knop "rekenen" aan, waarna het saldo van de nalatenschap werd berekend en een resultaatscherm verscheen. Op dat scherm moest de medewerker vervolgens handmatig één van de vakjes "beschikking geen aanslag" of "aanslagbiljet" aanvinken. De medewerker vinkte (per vergissing) het vakje "beschikking geen aanslag" aan in plaats van het vakje "aanslagbiljet". Alle negen neven en nichten ontvingen daarna een "beschikking geen aanslag". Toen de inspecteur de fout ontdekte, legde hij aan de neven en nichten navorderingsaanslagen successierecht op van elk € 168.791. De neven en nichten gingen in beroep. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de neven en nichten ongegrond. Volgens de Rechtbank was sprake van een fout tengevolge van een onjuiste muisklik door de aanslagregelende ambtenaar, die had geleid tot een discrepantie tussen wat de inspecteur wilde en wat in de "beschikkingen geen aanslag" was vastgelegd. Hof Den Haag heeft thans echter op het hoger beroep van de erfgenamen beslist dat de verzending van de "beschikking geen aanslag" een fout was die het gevolg was van een onjuiste gegevensverwerking (door personen of automatiseringssystemen) welke voortvloeide uit een werkwijze waarvoor binnen de Belastingdienst gekozen was. De inspecteur moest volgens het Hof geacht worden de gevolgen van die werkwijze voor zijn rekening te hebben willen nemen. Het Hof verklaarde het beroep van de erfgenamen gegrond en vernietigde de aan hen opgelegde navorderingsaanslagen.

Bron:
Fida 20090056 - Hof Den Haag 16 december 2008 BK-07/00126


'Fiscus ontziet prostituees',
'Korting sekswerker boeit werknemer' en
'Uitleg gevraagd over korting fiscus prostituees'

Convenant met prostitutiebranche openbaar

In juli 2008 kwam de Belastingdienst met belangengroepen voor sekswerkers en exploitanten in de prostitutiebranche een voorwaardenpakket overeen over de zelfstandigheid van de sekswerker, de uitbetaling van de inkomsten, het afdragen van belasting en de administratieve vastleggingen. Naar aanleiding hiervan moet de exploitant zelf een vaststellingsovereenkomst (vso) of convenant met de Belastingdienst sluiten en voldoen aan de voorwaarden die daarbij horen. Fiscaal up to Date heeft de documenten waarin deze vaststellingsovereenkomsten of convenanten zijn opgenomen bij het ministerie van Financiën opgevraagd en gekregen. Aan de verkregen vso ontlenen wij het volgende:

Bron:
Fida 20084907 - Belastingdienst Publicatiedatum onbekend Publicatienummer geen


Hoge Raad eigenwijs langs adviseur

Hoge Raad volgt 70% van de adviezen van Advocaten-Generaal op

De redactie van het vakblad Fiscaal up to Date heeft aan de hand van ruim 700 conclusies van Advocaten-Generaal een berekening gemaakt van het effect ervan op de uiteindelijke beslissing van de belastingkamer van de Hoge Raad. Het is een uniek onderzoek dat nooit eerder is gedaan, maar waarover wel veel wordt gespeculeerd.

Advocaten-Generaal behoren tot het parket en brengen net als in strafzaken en civiele zaken, ook in fiscale zaken conclusies uit bij cassatiezaken. In een conclusie wordt aan de hand van een diepgaand onderzoek naar wet- en regelgeving, jurisprudentie, vakliteratuur en internationale en maatschappelijke ontwikkelingen een gemotiveerd advies aan de Hoge Raad uitgebracht over de afloop van een bij de hoogste rechter ingesteld beroep in cassatie.

Tot op heden was niet duidelijk wat de concrete status van conclusies van de Advocaten-Generaal is. De uitkomsten van het onderzoek van Fiscaal up to Date onderstrepen de grote voorspellende waarde van deze conclusies. De vice-president van de Hoge Raad, mr. D.G. van Vliet, onderstreept in het nawoord van het rapport het belang en de onmisbaarheid van conclusies.

De onderzoeksresultaten zijn ook in de belastingadviespraktijk van groot nut. In doorgaans langlopende rechterlijke procedures weten de adviseur en zijn cliënt met een conclusie eerder waar zij aan toe zijn. Het advies van de Advocaat-Generaal kan daardoor een belangrijke rol spelen in aanstaande en lopende geschillen met de Belastingdienst.

Rapport aanvragen
Klik hier om het rapport aan te vragen


Ruzie met fiscus om jackpot

Prijs van € 20 mln in oudejaarsloterij op oudejaarsavond belast in box III

De heer X was op 31 december 2004 de gelukkige winnaar van de hoofdprijs in de oudejaarsloterij en won € 20.000.000. Hij was het er niet mee eens dat de inspecteur de hoofdprijs tot de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar 2004 rekende, maar kreeg bij Rechtbank Breda het lid op de neus. X had de prijs op 31 december 2004 's avonds gewonnen en het bedrag was weliswaar pas op 4 januari 2005 op zijn rekening bijgeschreven, maar de wetgever had volgens de Rechtbank gekozen voor een forfaitair systeem waarbij het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar bepalend was voor de berekening van de inkomsten uit sparen en beleggen. Daarbij had de wetgever zoals ook bleek uit een arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2008 (zie FutD 2008-0995 met ons commentaar) welbewust afgezien van een nadere verfijning op grond van het moment van verkrijgen dan wel het verlies van bezittingen. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20083474 - Rechtbank Breda 24-7-2008, nr. 07/5057


Aanslag fiscus 17 jaar na overlijden

Aanslag IB 2006 opgelegd aan 17 jaar geleden overleden tante

De Belastingdienst legde een aanslag IB 2006 op aan mevrouw A, de tante van X. Mevrouw A was echter al 17 jaar geleden overleden. De Belastingdienst corrigeerde bovendien de eerste aanslag door een tweede op te leggen. X diende een bezwaarschrift in en vroeg de Belastingdienst tevens om een schriftelijke bevestiging dat de aanslagen ten onrechte waren opgelegd. Hij ontving geen reactie en diende hierop een klacht in bij de commissie voor de verzoekschriften van de Tweede Kamer. De commissie voor de verzoekschriften besliste dat X deels onzorgvuldig was behandeld door de Belastingdienst, omdat zijn brief eerder had moeten worden beantwoord. Inmiddels had de Belastingdienst schriftelijk bevestigd dat de aanslagen ten onrechte aan de overleden tante van X waren opgelegd. Aan X waren hiervoor ook verontschuldigingen aangeboden, zodat volgens de commissie voor de verzoekschriften voldoende aan zijn klacht tegemoet was gekomen.

Bron:
Fida 20083658 - Tweede Kamer 11 september 2008 31260, nr. 67


Vader krijgt BPM als boete bij noodrit

Forse naheffing BPM na ophalen zoontje met auto met buitenlands kenteken

X ging in beroep tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.066, die hij had ontvangen omdat hij gebruik had gemaakt van de openbare weg in Nederland met een auto met een buitenlands kenteken. Rechtbank Breda verklaarde het beroep ongegrond, waarop X in hoger beroep ging en herhaalde dat sprake was geweest van een noodsituatie. Hij moest namelijk zijn zoontje ophalen en beschikte op dat moment niet over vervoer. Daarom had hij een auto van een familielid geleend. Hof Den Bosch was het echter met de Rechtbank eens dat de BPM-wetgeving niet voorzag in de mogelijkheid de heffing in geval van een noodsituatie achterwege te laten, daargelaten of daadwerkelijk sprake was van een noodsituatie, en of geen andere mogelijkheden voorhanden waren dan het lenen van een niet in Nederland geregistreerde auto. Het Hof was het ook niet met X eens dat hij niet de feitelijke beschikkingsmacht over de auto had. X bestuurde de auto niet ten behoeve van de eigenaar van de auto, maar uitsluitend voor eigen doeleinden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Bron:
Fida 20082276 - Hof Den Bosch 15 april 2008 06/00239


Coffeeshophouder vrijgesproken van witwaspraktijken

Coffeeshophouder met coderekening vrijgesproken van witwassen

In juli 2002 werd bij een bank in Luxemburg een coderekening geopend, waarvan X -vennoot in twee coffeeshops - de rechthebbende was. Op die rekening werden tot en met oktober 2002 geldbedragen gestort met een totale waarde van ruim € 580.000. De door X aangegeven inkomsten uit de coffeeshops waren onvoldoende om die stortingen te verklaren. X werd strafrechtelijk vervolgd wegens witwassen. Rechtbank Amsterdam vond het niet onaannemelijk dat het geld op de coderekening oorspronkelijk was verdiend in de coffeeshops en vanwege het niet opgeven aan de fiscus als zwart geld moest worden aangemerkt. Doordat het legaal verdiende geld nooit was opgegeven aan de Belastingdienst, had X artikel 69 AWR overtreden, hetgeen een misdrijf was. Dit misdrijf moest volgens de Rechtbank ook als een gronddelict in de zin van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt. De Rechtbank veroordeelde X tot een werkstraf van 200 uur, een geldboete van € 45.000. X ging in hoger beroep. De strafkamer van Hof Amsterdam stelde vast dat de onderliggende fiscale gegevens in het dossier ontbraken. Daarom kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de gestorte geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht. Vervolgens besliste het Hof dat ook indien ten aanzien van de verzwijging van inkomsten voor de fiscus door X voldoende bewijsmateriaal voorhanden zou zijn, dit niet tot een bewezenverklaring kon leiden. Het niet, onjuist of niet tijdig doen van aangifte in de zin van artikel 69 AWR had namelijk niet tot gevolg dat de belastingplichtige een "uit misdrijf afkomstig" voorwerp voorhanden kreeg. Onder het opzettelijk niet, onjuist of niet tijdig doen van een aangifte in de zin van artikel 69 AWR was niet te verstaan het witwassen van opbrengsten van misdrijven, nu het hier niet ging om opbrengsten van misdrijven maar aan het oog van de fiscus onttrekken van gelden, waardoor een vordering van de fiscus op de belastingplichtige ontstond. Het voor de fiscus verzwijgen van inkomsten en/of vermogen bracht geen wijziging teweeg in de verondersteld legale herkomst van de verzwegen gelden. Het Hof vernietigde het vonnis van de Rechtbank en sprak X vrij.

Bron:
Fida 20083238 - Hof Amsterdam 11 juni 2008 23-003858-07


Foute aftrek goed

Negeren elektronische toelichting werd fiscus fataal

In zijn elektronisch ingediende aangifte IB 2003 had X € 3.730 aan buitengewone uitgaven opgenomen en € 4.053 aan aftrekbare giften. X had de buitengewone uitgaven alsook de aftrekbare giften in de elektronisch gedane aangifte gespecificeerd. Bij de buitengewone uitgaven stond € 2.425 in verband met schoolgeld en boeken voor zoon A, € 4.384 aan premie ziekenfonds/particuliere ziektekostenverzekering en € 1.460 aan arbeidsongeschiktheidsaftrek. Bij de aftrekbare giften stond een schenking aan de kinderen van X van in totaal € 5.800. De aanslag werd geheel overeenkomstig de aangifte vastgesteld. In het kader van een landelijke actie van de Belastingdienst naar de juistheid van de in de aangiften opgevoerde buitengewone uitgaven, stelde de inspecteur vast dat X buitengewone uitgaven had opgevoerd die als zodanig niet aanvaardbaar waren. Vervolgens concludeerde de inspecteur hetzelfde met betrekking tot door X opgevoerde giften. Toen de inspecteur nog eens terugkeek naar de jaren 2002 en 2003 bleek dat de aangiften over die jaren op dezelfde punten onjuist waren geweest. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op zonder boete. X ging in beroep. Rechtbank Arnhem handhaafde de navorderingsaanslagen, maar Hof Arnhem besliste op het hoger beroep van X in andere zin. Het Hof stelde vast dat X in zijn aangifte aan de inspecteur de gegevens had verstrekt op grond waarvan de inspecteur, indien hij die gegevens ten minste oppervlakkig had bezien, de conclusie had kunnen trekken, dat de aangifte op de onderdelen van buitengewone uitgaven en aftrekbare giften onjuist was, dan wel ten minste nader onderzoek behoefde. De omstandigheid dat voor elektronisch bijgeleverde toelichtende gegevens geen plaats was ingeruimd, was volgens het Hof uitsluitend een gevolg van de door de Belastingdienst gekozen werkwijze en was dus een mede aan de inspecteur toe te rekenen wijze van werken, waarvan de gevolgen niet voor rekening van een individuele belastingplichtige, zoals X, moesten komen. Het Hof concludeerde dat het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbrak en vernietigde de navorderingsaanslagen.

Bron:
Fida 20083175 - Hof Arnhem 23 juli 2008 07/00303


OZB betalen voor pand in aanbouw

OZB-gebruikersbelasting voor (kantoor)panden in aanbouw

De Hoge Raad heeft vier arresten voor publicatie vrijgegeven die betrekking hebben op de vraag of de eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde van een pand in aanbouw als gebruiker in de zin van de Gemeentewet of de Wet WOZ moet worden aangemerkt. De Hoge Raad besliste dat een gebouw in aanbouw in de OZB van artikel 220, letter a, Gemeentewet kon worden betrokken. Wie ter bevrediging van eigen behoefte een opstal (ver)bouwde of liet (ver)bouwen op hem ter beschikking staande grond, gebruikte die grond (en wat daarmee duurzaam was verenigd) in de zin van artikel 220, letter a, Gemeentewet. Indien hij (ver)bouwde of liet (ver)bouwen met het oogmerk de zaak na gereedkoming van de bouw te bezigen voor eigen gebruik, dan wel te verhuren (of op andere titel aan een ander in gebruik te geven), dan wel te verkopen, was volgens de Hoge Raad sprake van bevrediging van eigen behoefte.

Bron:
Fida 20083129 - Hoge Raad 8 augustus 2008 41276
Fida 20083131 - Hoge Raad 8 augustus 2008 41654
Fida 20083132 - Hoge Raad 8 augustus 2008 42195
Fida 20083142 - Hoge Raad 8 augustus 2008 43349
Fida 20061445 - Hof Amsterdam 28 april 2006 04/04441
Fida 20051558 - Hof Den Haag 27 april 2005 BK-03/03687
Fida 20080865 - Hof Arnhem 11 januari 2005 04/00283
Fida 20042833 - Hof Amsterdam 13 augustus 2004 03/03398


Parkeerautomaat te laat wakker

Foutparkeerder bij NS-station gepardonneerd voor kosten van € 45

X reisde per trein. Op werkdagen parkeerde hij zijn auto omstreeks 6.30 uur op een parkeerplaats bij het station. Voor de vanaf 9.00 uur verschuldigde parkeerbelasting kon echter pas vanaf 7.00 uur een kaartje worden gekocht. X ging in beroep tegen een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 0,60 plus € 45 aan kosten. Rechtbank Breda besliste de gemeente, die gelegenheid bood om op een daartoe aangewezen plaats tegen betaling te parkeren, de verplichting had om de aspirant-parkeerder in staat te stellen aan zijn verplichtingen te voldoen via het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Gezien het tijdstip waarop de eerste treinen vanaf dat station gingen rijden, mocht volgens de Rechtbank dat de aanvang van de werkingstijd van de parkeerapparatuur ter plaatse daarop zou zijn afgestemd. De gemeente had ervoor gekozen om de parkeerapparatuur pas om 7.00 uur in werking te stellen, waarmee X de mogelijkheid was onthouden om aan zijn verplichtingen te voldoen. De Rechtbank liet de naheffingsaanslag parkeerbelasting van € 0,60 in stand, maar vernietigde de bij deze aanslag in rekening gebrachte kosten van € 45.

Bron:
Fida 20082685 - Arr.rb. Breda 4 juni 2008 AWB07/894


Wijn over grens kopen extra belast

Geen accijns over wijnimport Joustra voor persoonlijk verbruik

Eens per jaar liet Joustra voor zichzelf en voor anderen van zijn wijnclub wijn vanuit Frankrijk naar Nederland overbrengen. Deze wijn was in Frankrijk uitgeslagen tot verbruik en in Frankrijk was accijns voldaan. De bestelling van de wijn in Frankrijk geschiedde op naam van de groep. Een Nederlands transportbedrijf haalde de wijn op en leverde deze bij Joustra thuis af, waarvandaan binnen enkele dagen aflevering plaatsvond aan de leden van de groep. Alle door de deelnemers gekochte wijn was bedoeld voor eigen gebruik. Hof Den Bosch besliste dat Joustra geen accijns was verschuldigd en recht had op teruggaaf van de reeds betaalde accijns, maar De Hoge Raad legde prejudiciële vragen voor aan het EG-Hof van Justitie. Het EG-Hof antwoordde daarop dat voor de vrijstelling van accijns op grond van artikel 8 Accijnsrichtlijn was vereist dat de accijnsproducten door particulieren voor eigen behoefte waren verkregen en door de particulieren "zelf" waren vervoerd. Een particulier die niet bedrijfsmatig of met winstoogmerk handelde, die voor eigen verbruik en voor verbruik door andere particulieren tot verbruik uitgeslagen accijnsproducten verkreeg en deze voor zijn rekening naar een andere lidstaat liet overbrengen door een in deze andere lidstaat gevestigde vervoersonderneming, was ook in deze andere staat accijns verschuldigd. De accijns die eerder was voldaan, moest volgens het EG-Hof worden teruggegeven. De Hoge Raad heeft thans arrest gewezen in deze zaak. Joustra was volgens de Hoge Raad voor de wijn die hij ten behoeve van de andere deelnemers voorhanden kreeg en waarvan hij wist dat daarvan in Nederland geen accijns was geheven, accijns verschuldigd en moest die accijns op aangifte voldoen, zoals hij ook had gedaan. Joustra had echter ook wijn voor persoonlijk gebruik voorhanden en daarop was artikel 2c, lid 2, Accijnswet niet van toepassing. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak en verwees de zaak naar Hof Arnhem om Joustra in de gelegenheid te stellen aan te tonen welk deel van de partij wijn voor zijn persoonlijk verbruik was bestemd.

Bron:
Fida 20082238 - Hoge Raad 6 juni 2008 39536


Grenswerker krijgt Belgische aftrek

Belgische onroerende voorheffing voor grensarbeider aftrekbaar

Nederlander X woonde sinds 1993 in België. Hij was in Nederland in dienstbetrekking werkzaam. De belastingheffing over zijn inkomen was op grond van het verdrag met België uit 1970 toegewezen aan Nederland. X koos lopende een beroepsprocedure inzake zijn aanslag IB 2001 alsnog voor toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen als bedoeld in artikel 2.5 Wet IB 2001. Daardoor kon hij de rente en kosten van zijn eigen woning in aftrek brengen. De inspecteur bleef echter bij het standpunt dat geen rekening kon worden gehouden met de door X vanwege zijn woning in België betaalde onroerende voorheffing van € 936. Hof Den Bosch besliste dat Nederland door de invoering van artikel 2.5 Wet IB 2001 had getracht te voldoen aan het arrest Schumacker van het EG-Hof van Justitie. Nederland had daarmee echter niet alleen de aftrekpost van de hypotheekrente geïntroduceerd, maar ook de positieve inkomsten uit eigen woning - in de vorm van het eigenwoningforfait - in de heffingsmaatstaf betrokken. Dit betekende volgens het Hof dat naast België nu ook Nederland over het positieve element van de inkomsten uit eigen woning hief, terwijl Nederland op grond van artikel 6 van het belastingverdrag dat heffingsrecht niet had. Nederland veroorzaakte daardoor een last die niet ook op in Nederland ingezeten belastingbetalers rustte. De binnenkomende grenswerknemer werd zwaarder belast dan zijn in Nederland ingezeten collega, hetgeen door Europese jurisprudentie werd afgekeurd. Het lag volgens het Hof op de weg van Nederland de hogere last weer weg te nemen. Dit was ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het EG-Hof. De in België verschuldigde onroerende voorheffing over de aldaar gelegen woning was aftrekbaar. Het Hof verklaarde het beroep van X gegrond.

Bron:
Fida 20082168 - Hof Den Bosch 15 april 2008 03/02642


Fiscus wint van free record shop

Eurowisselactie terzake aankoop muziek-CD was niet gelijk aan cadeaubon

BV X hield zich bezig met de verkoop van muziek-CD's. Bij de invoering van de euro had zij de inwisselactie "De Laatste Ronde" (de eurowisselactie) gevoerd. Die actie hield in dat een klant een voorbedrukte enveloppe bij BV X haalde en die vulde met bepaalde buitenlandse valuta. De klant moest deze valuta tegen de officiële wisselkoers ten opzichte van de euro omrekenen naar de waarde in guldens of euro's en het totaalbedrag verminderen met 20%. Voor de eindwaarde kon de klant een muziek-CD kopen. De aftrek van 20% werd door BV X tegenover haar klanten gepresenteerd als een vergoeding voor handlingkosten. BV X leverde de gevulde enveloppen in bij Q waarmee zij een contract had gesloten. Voor een gevulde enveloppe ontving BV X het bedrag na aftrek van de vergoeding voor handlingkosten. Over de handlingkosten voldeed BV X geen BTW. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op over de handlingkosten van € 130.649. BV X ging in beroep en stelde dat de vergoeding gelijk was aan de gewone winkelwaarde van de verkochte CD, waarbij de door de klant ingeleverde buitenlandse valuta werden gewaardeerd op 80%. De enveloppen konden volgens BV X worden aangemerkt als cadeaubonnen of als waardebonnen. Rechtbank Den Haag besliste dat de gevulde enveloppen niet werden verstrekt bij de levering van goederen, maar alleen functioneerden als betaalmiddel bij de verkoop van muziek-CD's. Hierdoor konden de gevulde enveloppen niet worden aangemerkt als zegels of waardebonnen in de zin van de artikelen 20 en 21 van het Uitvoeringsbesluit OB. De Rechtbank besliste dat de cadeaubonnenresolutie zag op het tegen betaling verkrijgen van bonnen, zoals boekenbonnen en CD-bonnen, die bestemd waren om te worden gebruikt als betaling voor de aankoop van bepaalde goederen en diensten. De enveloppen tegen inlevering waarvan muziek-CD's konden worden gekocht waren volgens de Rechtbank niet door BV X uitgegeven en waren ook niet tegen betaling verkrijgbaar. De Rechtbank besliste dat de enveloppen, in tegenstelling tot cadeaubonnen, uit geld bestonden, namelijk buitenlandse valuta en daarom niet konden worden aangemerkt als cadeaubonnen in de zin van de cadeaubonnenresolutie. De Rechtbank besliste tot slot dat op grond van artikel 8, lid 6, Wet OB bij de bepaling van de vergoeding voor verkochte CD's moest worden uitgegaan van de officiële wisselkoersen, ofwel van het in een enveloppe aanwezige nominale bedrag, vóór aftrek van de handlingkosten. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Bron:
Fida 20082103 - Arr.rb. Den Haag 17 april 2008 AWB06/6397


Aderlating schatkist door miljoenenaftrek emissies

Door bank berekende kosten voor aandelenemissie aftrekbaar

NV X was de moedervennootschap van een in Nederland gevestigd, internationaal opererend concern. De (certificaten van) aandelen in NV X waren genoteerd aan Euronext Amsterdam NV. NV X vormde met haar dochtervennootschap BV C een f.e. BV C was de houdstermaatschappij van de buitenlandse werkmaatschappijen van het concern. Op 27 december 1994 kondigde NV X in verband met een acquisitie van de in Duitsland gevestigde beursgenoteerde vennootschap D AG, een openbare aandelenemissie aan terzake van 2.050.263 beperkt royeerbare certificaten aan toonder van cumulatief converteerbare financieringspreferente aandelen in belanghebbende. De inschrijving op deze aandelen stond uitsluitend open voor houders van claims verbonden aan de destijds uitstaande (beperkt royeerbare certificaten aan toonder van) gewone aandelen in belanghebbende. De leiding van de financiële instellingen die de emissie begeleidde (het emissiesyndicaat) berustte bij ING Bank NV. NV X bracht de emissiekosten ten laste van haar winst over het boekjaar 1994/1995. De met de emissie behaalde opbrengst werd (na aftrek van de kosten) binnen de f.e. doorgeleend aan BV C, die daarvan f 118 mln doorleende aan haar Duitse dochtermaatschappij M GmbH. De inspecteur stelde dat de emissiekosten niet aftrekbaar waren en nam daarnaast een bijtelling in aanmerking van de door NV X (fictief) genoten rente van 3% over de lening aan haar Duitse dochtervennootschap M GmbH. NV X ging in beroep. De staatssecretaris ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat de uitspraak van het Hof en de gedingstukken geen andere conclusie toelieten dan dat de aan het emissiesyndicaat betaalde vergoedingen - te weten de "management & underwriting commission", de "selling concession", de "bereidstellingsprovisie", en de betalingen in het kader van de "garantieregeling" - vergoedingen vormden voor de door het emissiesyndicaat verrichte dienstverlening ten behoeve van de onderhavige aandelenemissie. Deze vergoedingen konden in mindering op de winst van NV X worden gebracht. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat het Hof er met betrekking tot het geschilpunt met betrekking tot de winstcorrectie van de onzakelijke renteloze lening aan M GmbH ten onrechte vanuit was gegaan dat partijen zouden hebben afgesproken dat de correctie verliep via een jaarlijkse rente-imputatie van 3% over de nominale waarde van de geldverstrekking zou verlopen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak op dit punt en verwees de zaak naar Hof Den Haag.

Bron:
Fida 20081838 - Hoge Raad 9 mei 2008 43220
Fida 20060916 - Hof Amsterdam 22 maart 2006 01/04227


Fiscus moet draaiboek voor opsporen zwart geld tonen

KB Lux-stukken zijn "op de zaak betrekking hebbende stukken"

De Hoge Raad is in een arrest uitgebreid ingegaan op de stelling van een vermeende rekeninghouder van de KB Lux X dat de originele microfiches en de originele afdrukken daarvan, het draaiboek en de nieuwsbrieven ongeanonimiseerd in het geding moesten worden gebracht. De Hoge Raad besliste dat artikel 8:42 Awb aldus moest worden uitgelegd dat tegemoet moest worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd had gesteld dat het stuk van enig belang kon zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, tenzij sprake was van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat X voldoende gemotiveerd had gesteld dat de integrale tekst van het draaiboek rekeningenproject, de nieuwsbrieven, de originele microfiches en originele afdrukken daarvan van enig belang konden zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak, omdat deze stukken door verschillende feitenrechters in vergelijkbare gevallen waren aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken, onder meer omdat het draaiboek feitelijke informatie bevatte waarop de Belastingdienst zich bij het opleggen van de aanslag en de boete had gebaseerd. Volgens de Hoge Raad moest de inspecteur deze stukken overleggen voorzover hij zich niet of niet met succes kon beroepen op artikel 8:29 Awb of misbruik van procesrecht. De Hoge Raad stelde X op dit punt in het gelijk. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X op dit punt gegrond en hield de zaak verder aan, omdat hij het antwoord van het EG-Hof van Justitie wilde afwachten op de prejudiciële vragen over de verlengde navorderingstermijn.

Bron:
Fida 20081687 - Hoge Raad 25 april 2008 43448
Fida 20081688 - Hoge Raad 25 april 2008 43791


Hogere belasting voor kampeerders

Forensenbelasting voor caravan door aanwezigheid zonnepalen en aggregaat

X hield in 2006 in de gemeente Nieuwkoop meer dan 90 dagen voor zich of zijn gezin een stacaravan op een camping, zonder dat hij in die gemeente zijn hoofdverblijf had. De gemeente legde een aanslag forensenbelasting op, waartegen X in beroep ging. X vond dat geen sprake was van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 Gemeentewet aangezien de stacaravan niet over een elektriciteitsvoorziening beschikte en er ook geen wasgelegenheid was. Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van X ongegrond omdat uit informatie die de gemeente van de campingbeheerder had gekregen, was gebleken dat de stacaravan door middel van zonnepanelen, een aggregaat of anderszins van elektriciteit werd voorzien. De stacaravan beschikte voorts over een wateraansluiting, wasbak, toilet en kookgelegenheid en was aangesloten op de riolering zodat de stacaravan geschikt was om enigszins duurzaam voor bewoning te dienen. Volgens de Rechtbank was sprake van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 Gemeentewet.

Bron:
Fida 20081036 - Arr.rb. Den Haag 14 februari 2008 AWB07/2358


Gemeenteblunder WOZ-aanslag

WOZ-waarde van f 2000 voor grote villa was kenbare fout

Bij de algehele waarderingsronde van de gemeente Y was aanvankelijk een aantal adressen buiten aanmerking gelaten. Op de taxatiekaarten van die adressen was daaraan een code 1 of 2 toegekend. In een aantal gevallen was die code 2 door de data-entry typiste abusievelijk in het veld "waarde" geplaatst. Dit resulteerde bij de geautomatiseerde verwerking van de input in een beschikkingswaarde van f 2.000. Mevrouw X bezat een fraai gelegen grote villa uit de jaren '20 van de vorige eeuw in de gemeente Y. Zij ontving in eerste instantie in juni 1997 een WOZ-beschikking, waarin de waarde van die woning per 1 januari 1995 was vastgesteld op f 2.000, maar in een herzieningsbeschikking stelde de gemeente de WOZ-waarde vast op f 1.229.000. X maakte bezwaar, waarop de gemeente de WOZ-waarde verminderde tot f 800.000. X ging in beroep en stelde dat de herzieningsbeschikking moest worden vernietigd. Hof Den Bosch besliste dat de WOZ-waarde in eerste instantie te laag was vastgesteld als gevolg van een intoetsfout en dat die fout ook redelijkerwijs kenbaar was aan X, die ter zitting had verklaard een waarde van f 2.000 een waanzinnig laag bedrag te vinden. Er was sprake van een kenbare fout die had geleid tot een discrepantie tussen wat de heffingsambtenaar wilde en wat in de beschikking was vastgelegd. Dat X niet wist waardoor de fout was veroorzaakt, was niet van belang. Het afgeven van een herzieningsbeschikking binnen vijf jaar na die van juni 1997 was mogelijk. Vervolgens besliste het Hof dat de gemeente de WOZ-waarde niet aannemelijk had gemaakt en stelde de WOZ-waarde in goede justitie vast op f 660.000.

Bron:
Fida 20080912 - Hof Den Bosch 15 januari 2008 00/02941


Geen bewijs tegen zwartspaarders

Bewijs Van Lanschot slechts bewijs van beerput-affaire

Het laatste nieuws in de Van Lanschot-affaire was dat de staatssecretaris het verzoek van Fiscaal up to Date om openbaarmaking van de brief plus bijlagen van de in het openbaargemaakte draaiboek als Land X aangeduide afzender afwees. Inmiddels is hiertegen beroep aangetekend, maar is zonder tussenkomst van de rechter en zonder medewerking van de staatssecretaris, maar dankzij de inspanningen van advocaat mr S. Bharatsingh te Hilversum de gewraakte brief uit land X toch bekend geworden. Het zal u niet verbazen dat land X België is, maar het zal u wel verbazen als u ziet op welk moment de informatie door België is verstrekt en wat er in de bijlagen bij deze brief staat.

Bron:
Fida 20080476 - Diversen 18 februari 2005 Publicatienummer geen;
Zie verder Project Bank Zonder Naam (Fiscus houdt naam van land x in van Landschot affaire geheim.)


Modezaak dupe fiscus

Korting op verplicht tijdens werktijd te dragen kleding uit winkel was loon

BV X exploiteerde een aantal winkels in dameskleding en verplichtte haar personeel om tijdens werktijd kleding van het bedrijf te dragen. BV X verlangde van haar werknemers dat zij uniforme kleding droegen en had daarvoor een kortingsregeling van 60%. De inspecteur legde over 2004 een naheffingsaanslag LB op van € 168.064 terzake van de door BV X verleende kortingen op de verplichte aanschaf van de kleding door de werknemers. BV X ging in beroep en stelde dat sprake was van een vrije verstrekking als bedoeld in artikel 17, lid 1, onderdeel a, Wet LB. Rechtbank Den Haag stelde voorop dat bij de verstrekking van kleding aan de werknemer ten behoeve van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking de volgende situaties moesten worden onderscheiden: werkkleding, kleding als ARBO-verstrekking, kleding op de werkplek, kleding als product uit eigen bedrijf en overige kleding. Voor overige kleding gold dat de werkgever deze niet vrij kon vergoeden of verstrekken en daarbij was het niet van belang of de werknemer al dan niet verplicht was om de kleding tijdens zijn werkzaamheden te dragen. Tussen partijen was niet in geschil dat de kleding geen werkkleding was, noch kleding die bleef op de plaats waar de arbeid werd verricht. De Rechtbank verwees onder meer naar een arrest van 3 mei 1995 waarin de Hoge Raad had beslist dat geen grond bestond om de kleding uit de collectie, die een verkoopster in een damesmodezaak verplicht was te dragen tijdens de openingstijden van de winkel en die in het normale dagelijkse leven ook kon worden gebruikt, aan te merken als werkkleding. De Rechtbank besliste dat de kleding ook niet moest worden gewaardeerd op de besparingswaarde, waarbij na aftrek van de eigen bijdrage een loonelement van nihil zou resteren omdat de verstrekking van de kleding, niet zijnde werkkleding, geen vrije verstrekking was, ook niet als deze in verband kon worden gebracht met de vervulling van de dienstbetrekking. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Bron:
Fida 20080464 - Arr.rb. Den Haag 24 juli 2007 AWB06/1437


Rotte grasmat levert geld op

Toestand grasmat drukte WOZ-waarde van ArenA-stadion

Om de WOZ-waarde van de Amsterdam-ArenA te bepalen, trad de gemeente Amsterdam in overleg met A, die als financial controller bij NV Stadion Amsterdam werkte. Na een aantal besprekingen stelde de gemeente een concept van een vaststellingsovereenkomst op. A ondertekende de overeenkomst niet. De gemeente was van mening dat een vaststellingsovereenkomst was gesloten en stelde de WOZ-waarde vast op het in de overeenkomst opgenomen bedrag. NV Stadion Amsterdam ging in beroep. Hof Amsterdam (zie FutD 2005-0385) besliste dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. De gemeente had volgens het Hof moeten begrijpen dat A pas akkoord zou gaan met een WOZ-waarde nadat hij zijn adviseurs had geconsulteerd. Het Hof besliste dat de WOZ-waarde van het stadion het beste werd benaderd door de gecorrigeerde vervangingswaarde te hanteren. Het Hof haakte vervolgens aan bij een berekening van de taxateur van de gemeente, met dien verstande dat het Hof rekening hield met de abominabele conditie van de grasmat. Het Hof stelde NV Stadion Amsterdam in het gelijk en verminderde de WOZ-waarde. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 Wet RO).

Bron:
Fida 20080187 - Hoge Raad 18 januari 2008 41709


'Plaggenhut' ArenA krijgt korting fiscus

Toestand grasmat drukte WOZ-waarde van ArenA-stadion

Om de WOZ-waarde van de Amsterdam-ArenA te bepalen, trad de gemeente Amsterdam in overleg met A, die als financial controller bij NV Stadion Amsterdam werkte. Na een aantal besprekingen stelde de gemeente een concept van een vaststellingsovereenkomst op. A ondertekende de overeenkomst niet. De gemeente was van mening dat een vaststellingsovereenkomst was gesloten en stelde de WOZ-waarde vast op het in de overeenkomst opgenomen bedrag. NV Stadion Amsterdam ging in beroep. Hof Amsterdam (zie FutD 2005-0385) besliste dat er geen vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. De gemeente had volgens het Hof moeten begrijpen dat A pas akkoord zou gaan met een WOZ-waarde nadat hij zijn adviseurs had geconsulteerd. Het Hof besliste dat de WOZ-waarde van het stadion het beste werd benaderd door de gecorrigeerde vervangingswaarde te hanteren. Het Hof haakte vervolgens aan bij een berekening van de taxateur van de gemeente, met dien verstande dat het Hof rekening hield met de abominabele conditie van de grasmat. Het Hof stelde NV Stadion Amsterdam in het gelijk en verminderde de WOZ-waarde. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond verklaard (art. 81 Wet RO).

Bron:
Fida 20080187 - Hoge Raad 18 januari 2008 41709


Vader beboet na joyriden zoon

Joyriden kind leidde tot naheffing MRB en 100% boete bij vader

X had het kenteken van zijn auto met ingang van 14 februari 2005 laten schorsen. Op 17 oktober 2005 constateerde de politie dat één van de kinderen van X met die auto gebruik maakte van de openbare weg. X ontving een naheffingsaanslag MRB van € 418 met een verzuimboete van eveneens € 418. X ging in beroep en stelde dat hij zijn kinderen geen toestemming had gegeven gebruik van de auto maken. Rechtbank Den Haag besliste dat de naheffingsaanslag terecht aan X als houder van de auto was opgelegd. Daar deed niet aan af dat één van de kinderen van X zich aan joy-riding schuldig zou hebben gemaakt. Ook de boete was volgens de Rechtbank passend en geboden. Er was geen sprake van afwezigheid van alle schuld. X had als houder van de auto de nodige maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat er ongeoorloofd gebruik van zijn auto werd gemaakt. X had volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij het gebruik door zijn kinderen redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

Bron:
Fida 20080215 - Arr.rb. Den Haag 13 september 2007 AWB06/7083


Boete fiscus na 'proefrit'

Ikea-bezoek tijdens proefrit leidde tot naheffing MRB en boete

BV X handelde in gebruikte auto's en beschikte daarvoor over een handelaarskenteken. Op 29 januari 2006 gaf BV X een auto uit haar bedrijfsvoorraad met een handelaarskenteken mee aan een cliënt voor een proefrit. Die cliënt werd tijdens die rit aangehouden. Hij verklaarde dat hij een proefrit aan het maken was en daarbij langs Ikea was geweest om een vaas te kopen en naar een restaurant om roti te halen. BV X ontving een naheffingsaanslag MRB van € 323 met een boete van 100%. Rechtbank Den Haag besliste op het beroep van BV X dat een rit naar Ikea en naar een restaurant geen verband hield met de verkoop van de auto. Op dat moment werd niet gebruik gemaakt van de weg in het kader van de bedrijfsactiviteiten van BV X. De naheffingsaanslag was terecht opgelegd. Wat betreft de boete, was het volgens de Rechtbank aannemelijk dat BV X de cliënt er vooraf op had gewezen dat de auto enkel en alleen voor een proefrit mocht worden gebruikt. Een boete van 100% was in dit geval niet gerechtvaardigd. Daar deed niet aan af dat BV X niet één van haar werknemers had laten meerijden tijdens de proefrit. Een boete van 75% (€ 242) was volgens de Rechtbank passend en geboden. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Bron:
Fida 20080217 - Arr.rb. Den Haag 13 september 2007 AWB06/6547