Fiscus dwingt via kort geding onder dwangsom informatie af
Enige weken geleden maakten wij melding van het nieuwe wapen dat de Belastingdienst in de strijd heeft gegooid ter verkrijging van informatie van zwartspaarders (zie FutD 2007-2100). Dit wapen betrof het civiel kort geding waarmee onder verbeurte van een dwangsom informatie wordt gevorderd. De Belastingdienst heeft inmiddels al enige belastingplichtigen, die erkend hebben dat zij een rekening bij Van Lanschot Bankiers te Luxemburg hebben (aangehouden), in een (civiel) kort geding gedagvaard ter verkrijging van informatie over die bankrekening. Deze belastingplichtigen hadden geen antwoord hebben gegeven op de vraag of ná 31 december 1994 nog andere buitenlandse bankrekeningen waren aangehouden. Ook het verzoek van de Belastingdienst om vóór 7 april 2007 opgaaf van deze rekening(en) te doen door middel van het beantwoorden van enkele vragen en het verstrekken van bescheiden, waaronder kopieën van alle afschriften van de betreffende bankrekeningen over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 2005, lieten zij onbeantwoord. De Belastingdienst verzocht de voorzieningenrechter om bij vonnis te bevelen dat de gedaagde opgaaf doet van de buitenlandse rekeningen en kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekeningen verstrekt, onder verbeurte van een dwangsom. Nadat de Belastingdienst een eerdere dagvaarding van een ontkennende vermeende Van Lanschotter een uur voor de zitting bij de voorzieningenrechter van Rechtbank Rotterdam had ingetrokken, hebben de voorzieningenrechters van Rechtbank Middelburg en van Rechtbank Amsterdam de vordering van de Belastingdienst ten aanzien van erkennende Van Lanschotters toegewezen.
De voorzieningenrechter van Rechtbank Middelburg stelde voorop dat hij bevoegd was over de vordering te beslissen, omdat voor de Belastingdienst thans geen andere (bestuursrechtelijke) voorziening openstond om nakoming van de verplichtingen ex artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) af te dwingen. Vervolgens besliste de voorzieningenrechter dat het verzoek van de Belastingdienst voldoende nauwkeurig was omschreven en dat de periode waarom het ging duidelijk was. De voorzieningenrechter besliste dat de vermeende rekeninghouder binnen zeven dagen na betekening van het vonnis op de "Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)" moest vermelden of hij, gedaagde, na 31 december 1994 buitenlandse bankrekeningen had (aangehouden), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500 per dag. Vervolgens moet binnen dertig dagen na betekening van het vonnis opgaaf worden gedaan van de buitenlandse rekeningen en kopieën van alle afschriften van de buitenlandse bankrekeningen worden verstrekt over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 2005, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2.500 per dag. Een en ander met een maximum van € 100.000.
De voorzieningenrechter van Rechtbank Amsterdam, kwam op 22 november 2007 tot dezelfde conclusie. Acht dagen na de zitting droeg deze voorzieningenrechter de gedaagde op om binnen zeven dagen na het vonnis opgaaf te doen van zijn buitenlandse rekeningen en binnen dertig dagen kopieën van alle afschriften van de betreffende buitenlandse bankrekeningen te verstrekken over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 december 2005, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag (gevorderd was € 5.000 per dag), met een maximum van € 100.000. Volgens de voorzieningenrechter was voor toepassing van artikel 47 van de AWR vereist dat er een gerechtvaardigde aanleiding bestond voor het opvragen van gegevens. Hieraan was volgens de voorzieningenrechter voldaan De voorzieningenrechter verwierp het beroep van de gemachtigde, mr. S. Bharatsingh, op de tweewegenleer. De vordering van de Belastingdienst doorkruiste niet op onaanvaardbare wijze de weg die het publiekrecht de Belastingdienst bood, omdat de fiscale wetgeving niet de mogelijkheid gaf om een dwangsom op te leggen, zodat geen sprake was van een vergelijkbaar en gelijkwaardig alternatief. Verder was volgens de voorzieningenrechter uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat de wetgever had beoogd dat naast de bestuursrechtelijke mogelijkheden die artikel 47 van de AWR bood, de mogelijkheid was uitgesloten om bij de burgerlijke rechter een vordering tot informatieverstrekking op straffe van een dwangsom in te stellen.
Tegen de beide uitspraken is spoedappel aangetekend. De zaken dienen op 30 november 2007.
Rechtbank Middelburg 20-11-2007, nr. 59933/KG ZA 07-177 (Fida 20074004), Rechtbank Amsterdam 22-11-2007, nr. 382212/KG ZA 07-2008 MH/LW (Fida 20074078)
Ons commentaar
In 2004 werd in het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2005 een bestuurlijke fiscale dwangsom voorgesteld (zie FutD 2004-0768). Deze nieuwe dwangsombevoegdheid leek de toenmalige staatssecretaris het meest simpele en doeltreffende instrument om nakoming van een aantal verplichtingen te bevorderen, zoals ten aanzien van de administratie- en bewaarplicht en de verplichting tot informatieverstrekking over derden (artikelen 52 en 53 AWR). De Tweede Kamer bleek nogal sceptisch tegenover dit voorstel te staan en in een nota naar aanleiding van het verslag bij dit wetsvoorstel (zie FutD 2004-1932) legde de staatssecretaris uit dat het de bedoeling was dat de Belastingdienst voorzichtig zou omgaan met de nieuwe dwangsombevoegdheid als het om interpretatieverschillen ging met betrekking tot de in algemene bewoordingen gestelde verplichting tot het voeren van een administratie. Volgens de staatssecretaris was het niet de bedoeling de last onder dwangsom te gebruiken als middel voor de inspecteur om in twijfelgevallen over de rechtens juiste wijze van nakoming van een verplichting, deze af te dwingen. Nog voordat de plannen van de staatssecretaris waren ingevoerd, trok hij ze in het wetsvoorstel Versterking fiscale rechtshandhaving in (zie FutD 2005-1978 met ons commentaar), gezien de "weerstand die de invoering van een bestuurlijke dwangsom in de fiscaliteit opriep". De staatssecretaris beloofde de Tweede Kamer eerst meer ervaring op te doen met het vorderen van een last onder dwangsom in het civiele traject ter naleving van de fiscale administratie- en informatieverplichtingen. Zolang die evaluatie niet heeft plaatsgevonden, zou de bewindsman niet met nadere voorstellen hieromtrent komen.
De uitspraak van de voorzieningenrechters, die voor de staatssecretaris en de Belastingdienst ongetwijfeld als een warme douche wordt ervaren, is voor de belastingplichtige burger en ondernemer en hun gemachtigden de eerste onaangename ervaring met het afdwingen van informatie van een belastingplichtige burger onder verbeurte van een dwangsom via een fiscaal kort geding. Eerder besliste de voorzieningenrechter van Hof Den Bosch (zie FutD 2006-0827 met ons commentaar) dat een tuindersbedrijf afschriften van de e-mailberichten op haar computer aan de inspecteur moest verstrekken onder verbeurte van een dwangsom. In tegenstelling tot de bij de Van Lanschotters afgedwongen voldoening aan de informatieverplichting, ging het in deze zaak om de nakoming van de administratie- en bewaarverplichting die uiteraard alleen ten aanzien van ondernemers ingeroepen kunnen worden.
De administratieve verplichtingen die de Belastingdienst op grond van de wet aan belastingplichtigen oplegt, zijn zeer ingrijpend en vergaand. Het civielrechtelijk kort geding met betaling van een dwangsom bij niet-nakoming van de informatieverplichting is naar onze mening buitenproportioneel. De Belastingdienst heeft immers ook het middel van het opleggen van (navorderings)aanslagen naar geschatte bedragen met vergrijpboeten en de omkering van de bewijslast, én ook via de strafrechtelijke weg kan de belastingplichtige worden vervolgd voor niet-nakoming van zijn fiscale verplichtingen. De overweging van de voorzieningenrechter, dat er geen bestuursrechtelijke dwangmogelijkheden zijn om artikel 47 van de AWR af te dwingen, lijken dan ook op niets te zijn gebaseerd. Als de Belastingdienst niet eerst het meest voor de hand liggende bestuursrechtelijke middel aanwendt, maar meteen naar het ultimum remedium van de civiele dwangsombevoegdheid grijpt, worden de grenzen der redelijkheid en proportionaliteit overschreden. Dat geldt te meer omdat de staatssecretaris bij zijn aanvankelijke plannen tot invoering van een wettelijke dwangsombevoegdheid met name de administratie- en bewaarplicht en de verplichting tot informatieverstrekking over derden (artikelen 52 en 53 AWR) op het oog had, en de informatieverplichtingen van de niet-administratie- en bewaarplichtige burger niet werden genoemd. Niet vergeten mag worden dan het met dwangsommen aanzetten tot informatieverstrekking in elk geval op grond van het arrest JB-Zwitserland (zie FutD 2001-2259 met ons commentaar) in strijd is met artikel 6 van het EVRM.
Zaken als de bovenstaande onderstrepen de noodzaak van een uitbreiding van de rechtsmiddelen tegen vorderingen van de inspecteur om aan een of meer administratieve verplichtingen te voldoen, zoals bedoeld in het thans nog bij de Tweede Kamer aanhangige initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ten behoeve van de rechtsbescherming van belastingplichtigen bij controlehandelingen van de Belastingdienst (zie FutD 2006-1375 met ons commentaar). Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen een aantal verzoeken om informatie van de Belastingdienst en tegen standpunten van de Belastingdienst over toepassing of ontheffing van de administratie- en bewaarplicht in een concrete situatie.