KB Lux-dossier

Hof Arnhem eist integrale openbaarmaking KB Lux-stukken

Vorige week namen wij de uitspraak van Hof Amsterdam op die was gewezen in een 8:29-procedure omdat de Belastingdienst bleef weigeren om (delen van) het draaiboek en de nieuwsbrieven van het rekeningenproject te overleggen (zie FutD 2006-0741 met ons commentaar). Was Hof Amsterdam naar onze mening wat vaag en onduidelijk, zo niet Hof Arnhem die op 20 april 2006 in een andere 8:29-procedure met betrekking tot de KB Lux-stukken een heldere uitspraak deed, waarvan wij vorige week in ons commentaar in FutD 2006-0741 reeds melding maakten. Hof Arnhem gaat het meest ver in zijn uiteindelijke oordeel over de weigering van de inspecteur om overlegging van het draaiboek rekeningenproject en de nieuwsbrieven.

Na kennis te hebben genomen van de geschoonde versie van de stukken, besliste het Hof dat deze stukken moesten worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vervolgens besliste het Hof dat deze stukken, die elk voor zich als één geheel werden gepresenteerd, naar vorm en inhoud één geheel vormden, zodat de inspecteur de voor een goed begrip noodzakelijke samenhang niet mocht verbreken door een selectie te maken van gedeelten die onmiskenbaar op de zaak betrekking hadden en gedeelten waarbij dit niet aanstonds kenbaar was. Dit betekende volgens het Hof dat de inspecteur in beginsel de ongeschoonde versie van de stukken moest overleggen. Vervolgens besliste het Hof dat het een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht was dat een belanghebbende in beginsel kon beschikken over alle stukken die met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berusten. Tot slot besliste het Hof dat hetgeen de inspecteur had aangevoerd (andere of nieuwe projecten, cijferinformatie, methoden en systematiek, persoonlijke opvattingen, e.d.) geen gewichtige redenen vormden die de weigering om de stukken over te leggen rechtvaardigden.

Hof Arnhem 20-4-2006, nr. 04/01343 (Fida 20061308)

Ons commentaar
Het meest opvallend aan de uitspraak van Hof Arnhem is dat hij uitblinkt is beknoptheid, dat hij niet of nauwelijks is gemotiveerd en ook geen termijn bevat waarbinnen de Belastingdienst de stukken openbaar moet maken. Inhoudelijk valt er dan ook weinig over te zeggen, behalve dan dat het er op lijkt dat de geheimhoudingskamer heel direct aanstuurt op een eindoordeel van de Hoge Raad en de staatssecretaris door de uitspraak niet of nauwelijks te motiveren een opening geeft voor het instellen van cassatie. De uitspraak bevat immers ook geen opmerking over de onmogelijkheid van het instellen van cassatie tegen de tussenuitspraak.