KB Lux-dossier

Strafontslag voor belastingambtenaar met KB Lux-rekening

Tegen belastingambtenaar X was een onderzoek ingesteld omdat in het kader van het rekeningenproject het vermoeden was ontstaan dat X over een drietal rekeningen bij de KB Lux beschikte waarvan het saldo op 31 januari 1994 ruim f 20.000 [€ 9.076] bedroeg. In zijn belastingaangiften had X geen melding gemaakt van deze rekeningen en van de daarop genoten rente-inkomsten. X werd met ingang van 1 maart 2003 geschorst en zijn salaris werd vanaf 1 maart 2003 met 1/3 deel gekort. Vervolgens legde de staatssecretaris op 2 juli 2003 de straf van onvoorwaardelijk ontslag op aan X. X ging hiertegen in beroep. De ambtenarenrechter van Rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond. X ging in hoger beroep en stelde dat hij ten onrechte was geďdentificeerd als rekeninghouder. Verder bestreed hij de authenticiteit van de afdrukken van de microfiches die als bewijsstuk waren gebruikt. Tot slot stelde hij dat de betreffende documenten onrechtmatig verkregen bewijs vormden en daarom niet tegen hem mochten worden gebruikt.

De Centrale Raad van Beroep besliste dat voor de beoordeling van de bewijslevering in tuchtrechtelijke zaken als de onderhavige volgens vaste jurisprudentie was vereist dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moest zijn verkregen dat de betreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging schuldig had gemaakt. Vervolgens overwoog de Centrale Raad dat de staatssecretaris op basis van de beschikbare gegevens voldoende overtuigend had aangetoond dat X in het verleden had beschikt over één of meer rekeningen bij KB Lux, en hij daarvan geen melding had gemaakt in zijn belastingaangiften. De Centrale Raad zag geen reden om aan de authenticiteit van de afdrukken van de microfiches te twijfelen en verwierp ook de stelling van X dat hij ten onrechte als rekeninghouder was geďdentificeerd en dat de rekeningen toebehoorden aan een andere persoon met dezelfde achternaam. De Centrale Raad sloot het door de Belastingdienst gehanteerde bewijsmateriaal ook niet uit als onrechtmatig verkregen bewijs.

De Centrale Raad concludeerde dat de staatssecretaris voldoende overtuigend had aangetoond dat X zich in ieder geval in het jaar 1994 aan plichtsverzuim schuldig had gemaakt, zodat de sanctie van onvoorwaardelijk strafontslag terecht was opgelegd. Daarbij vond de Centrale Raad ook van belang dat X tijdens het eerste gesprek met medewerkers van de Belastingdienst naar aanleiding van de tegen hem gerezen verdenking, direct bereid was geweest om tot een schikking te komen tegen betaling van f 20.000 [€ 9.076]. De Centrale Raad verwierp de stelling van X dat het hier een fiscale aangelegenheid betrof in de privé-sfeer, waaraan niet te zwaar getild moest worden. De staatssecretaris had zich volgens de Centrale Raad terecht op het standpunt gesteld dat het verzwijgen van vermogen en het niet-aangeven van rente zeker voor een ambtenaar van de Belastingdienst als volstrekt onacceptabel moest worden beschouwd, aangezien de Belastingdienst immers zelf belast was met de controle op de juiste naleving van de fiscale voorschriften. Daar kwam volgens de Centrale Raad nog bij dat X niet alleen een onvolledige aangifte had gedaan, maar dat hij welbewust vermogen naar een buitenlandse bank had overgebracht met het kennelijke oogmerk dit aan de heffing van belasting te onttrekken. Het gedrag van X was volgens de Centrale Raad geenszins beperkt tot de privé-sfeer, maar bracht tevens schade toe aan de geloofwaardigheid van de Belastingdienst, alsmede aan het vertrouwen dat deze dienst in zijn medewerkers diende te kunnen stellen.

Centrale Raad van Beroep 6-4-2006, nr. 04/4935 (Fida 20061931)

Ons commentaar
Hilarischer kan het haast niet worden. Schreven wij vorige week al dat het vertrouwen van de belastingplichtige in de Belastingdienst na de verdere openbaarmaking van het draaiboek en de nieuwsbrieven al wel tot een nulpunt moest zijn gedaald, dan komt daar met het gedrag van de ambtenaar in de bovenstaande zaak niet bepaald verandering in. Maar niet alleen de geloofwaardigheid van de Belastingdienst is in geding. Ook de geloofwaardigheid, en met name de onafhankelijkheid van de tuchtrechter, trekken wij in twijfel. Deze uitspraak voldoet ons inziens in geen enkel opzicht aan de eisen die gesteld moeten worden aan de uitspraak van een tuchtrechter, die zich moet houden aan de strafrechtelijke eisen die aan bewijs mogen en moeten worden gesteld en ook rekening zal moeten houden met de onschuldpresumptie.