KB Lux-dossier

Draaiboek toch niet op KB Lux betrekking hebbende stukken?

Rechtbank Arnhem heeft uitspraak gedaan op het beroep van in de KB Lux-zaken als weigeraar of zwijger aangemerkte belastingplichtige (X). X had van de Belastingdienst een brief ontvangen waarin stond dat uit een onderzoek was gebleken dat hij een rekening had (aangehouden) bij de KB Lux en waarin werd verzocht inlichtingen en gegevens te verstrekken. X gaf daarop geen antwoord. De inspecteur handhaafde de aan X opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting (IB) 1991 en een navorderingsaanslag vermogensbelasting (VB) 1992 met boeten van 100%.

Rechtbank Arnhem verwierp de stelling van X dat de microfiches onrechtmatig waren verkregen. De Rechtbank verwees daarvoor naar een uitspraak van Hof Amsterdam van 18 januari 2006 (zie FutD 2006-0110 met ons commentaar). Ook verwierp de Rechtbank het verzoek van X om de inspecteur te gelasten ook de weggelakte passages van het draaiboek en de nieuwsbrieven van het rekeningenproject te overleggen. X had volgens de Rechtbank onvoldoende belang bij overlegging van die passages, waarin controle-strategische informatie stond. Bovendien waren de opgelegde navorderingsaanslagen niet gebaseerd op het draaiboek en de nieuwsbrieven, maar op de saldi zoals vermeld op de microfiches, op de identificatiegegevens en op de tabellen van de Belastingdienst met statistische gegevens. De weggelakte passages konden volgens de Rechtbank niet worden aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende informatie als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De Rechtbank besliste vervolgens dat de navorderingsaanslagen terecht waren opgelegd. De microfiches van de KB-Lux waren in combinatie met de volgens het draaiboek rekeningenproject uitgevoerde identificatie voldoende reden om een vragenbrief aan X te sturen. X had niet ontkend over een buitenlandse bankrekening te beschikken en was op grond van artikel 47 van de AWR verplicht de gevraagde gegevens te verstrekken. Doordat X dat had nagelaten, moest de bewijslast worden omgekeerd en moest X de onjuistheid van de inkomens- en vermogenscorrectie overtuigend aantonen. X was daar volgens de Rechtbank niet in geslaagd, omdat hij niet had ontkend dat hij over een bankrekening bij de KB-Lux beschikte. Tot slot besliste de Rechtbank dat ook de boeten van 100% passend en geboden waren, omdat het ten minste aan voorwaardelijke opzet van X te wijten was geweest dat te weinig belasting was geheven. De Rechtbank zag wel reden de boeten met 20% te matigen omdat de redelijke termijn met minder dan 1 jaar was overschreden.

Enkele dagen na de uitspraak van Rechtbank Arnhem deed Hof Den Haag op 23 juni 2006 uitspraak op het beroep van twee ontkenners die de bewuste vragenbrief van de Belastingdienst ook hadden ontvangen, maar ontkenden ooit een bankrekening bij de KB Lux te hebben gehad. Ook zij gingen tevergeefs in beroep. Evenals Rechtbank Arnhem verwierp ook Hof Den Haag de stelling dat de inspecteur afschriften van alle microfiches en het volledige draaiboek en de nieuwsbrieven geanonimiseerd moest overleggen en was ook Hof Den Haag van mening dat de microfiches niet als onrechtmatig verkregen bewijs konden worden aangemerkt. Het Hof vond het voldoende aannemelijk gemaakt dat Y en Z houder waren (geweest) van een bankrekening bij de KB Lux. De bewijslast moest worden omgekeerd en de ontkenners waren er volgens het Hof niet in geslaagd overtuigend aan te tonen dat de navorderingen onjuist waren. Het Hof was het vervolgens ook eens met de berekeningswijze van de navorderingsaanslagen. De berekeningswijze bezat weliswaar een zekere grofheid, waarop kritiek mogelijk was, maar op zichzelf bezien was die niet zodanig willekeurig en onbetrouwbaar dat de daaruit voortkomende schatting van inkomens en vermogens niet redelijk zou zijn. Het Hof handhaafde ook de boete van 100%.

Rechtbank Arnhem 20-6-2006, nr. 05/2759 (Fida 20062136) en Hof Den Haag 23-6-2006, nr. 04/02486 (Fida 20062125) en nr. 04/02466 (Fida 20062121)

Ons commentaar
Rechtbank Arnhem en Hof Den Haag komen in bovenstaande uitspraken tot een andere conclusie inzake de openbaarmaking van het draaiboek en de nieuwsbrieven van het rekeningenproject dan Hof Den Bosch (zie FutD 2005-1800 met ons commentaar), Hof Arnhem (zie FutD 2006-0786 met ons commentaar) en Hof Amsterdam (zie FutD 2006-0741 met ons commentaar) die het draaiboek en de nieuwsbrieven in het kader van het rekeningenproject in mindere of meerdere mate tot de op de zaak betrekking hebbende stukken hadden gerekend.