Ook prejudiciële vragen over twaalfjaarstermijn bij inkeer
De eerste winterse lentedag tevens goede vrijdag van 2008 was voor de Hoge Raad reden het EG-Hof van Justitie te benaderen met de nooit eerder gestelde vraag of de Nederlandse verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wel in overeenstemming is met het EG-recht. De zaak lag feitelijk als volgt:
Nadat haar echtgenoot was overleden, wendde mevrouw X zich op 10 januari 2003 op eigen initiatief tot de Belastingdienst. Zij gaf toen volledige openheid van zaken over een in Duitsland gevestigde bank waar zij en wijlen haar echtgenoot tegoeden hadden aangehouden, die nimmer in hun aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting waren betrokken. De inspecteur honoreerde het beroep van mevrouw X op de inkeerregeling als gevolg waarvan hij bij de navorderingsaanslagen geen boeten oplegde. Mevrouw X was het er niet mee eens dat de inspecteur de navorderingsaanslagen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van artikel 16, lid 4, van de AWR had opgelegd. Dit was volgens mevrouw X in strijd met het EG-recht. Rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van mevrouw X in een niet voor publicatie vrijgegeven uitspraak ongegrond. Mevrouw X tekende (sprong)cassatie aan.
De Hoge Raad besliste (met dezelfde overwegingen als in het hiervoor in FutD 2008-0608 vermelde arrest, -red.) dat van artikel 16, lid 4, van de AWR een remmende werking kon uitgaan voor het vanuit Nederland overbrengen naar of aanhouden van spaartegoeden in een andere lidstaat van de EG of op het vanuit een andere lidstaat aantrekken van spaartegoeden uit Nederland. De Hoge Raad besliste dat sprake was van een belemmering van de door het EG-Verdrag gewaarborgde vrijheid van diensten- of kapitaalverkeer waarvan het de vraag was of voor deze belemmering een toereikende rechtvaardigingsgrond bestond. Vervolgens ging de Hoge Raad uitgebreid in op de redenen die in de wetsgeschiedenis waren genoemd ter rechtvaardiging van de verlengde navorderingstermijn. De Hoge Raad concludeerde dat er goede argumenten leken te zijn om artikel 16, lid 4, van de AWR in gevallen als het onderhavige verenigbaar te achten met het EG-recht, maar volgens de Hoge Raad was niet boven redelijke twijfel verheven dat zich hier geen strijd met het EG-recht voordeed. De Hoge Raad verzocht het EG-Hof om een antwoord op de volgende prejudiciële vraag (die identiek is aan de eerste prejudiciële vraag in het arrest dat wij in FutD 2008-0608 opnamen): (wij citeren)
"Moeten de artikelen 49 en 56 EG aldus worden uitgelegd dat deze artikelen niet eraan in de weg staan dat een lidstaat, voor gevallen waarin (inkomsten uit) buitenlandse spaartegoeden voor de belastingdienst van die lidstaat zijn verzwegen, een wettelijke regeling toepast die ter compensatie van een gebrek aan effectieve controlemogelijkheden ten aanzien van buitenlandse tegoeden, voorziet in een navorderingstermijn van twaalf jaren, terwijl voor (inkomsten uit) spaartegoeden die in het binnenland worden aangehouden, waar die effectieve controlemogelijkheden wél voorhanden zijn, een navorderingstermijn geldt van vijf jaren? (einde citaat)
De Hoge Raad hield iedere verdere beslissing aan en schorste het geding totdat het EG-Hof uitspraak heeft gedaan.
Hoge Raad 21-3-2008, nr. 43670 (Fida 20081110)
Ons commentaar
Deze zaak lijkt in die zin op de hiervoor in FutD 2008-0608 (met ons commentaar) opgenomen zaak van de meewerkende KB Lux'er die een aantal onder het Nauta-protocol vallende rechtsvragen beantwoord wilde hebben, dat in beide zaken sprake is van verzwegen buitenlands inkomen en vermogen. De beide zaken verschillen op twee belangrijke punten. Dat is in de eerste plaats dat in de KB Lux-zaak geen sprake was van een vrijwillige verbetering, zodat terzake van de navordering van de zwarte banktegoeden ook boeten (van 50%) waren opgelegd, terwijl de dame in de onderhavige procedure was overgegaan tot een boetevrije inkeer. In de tweede plaats was in de KB Lux-zaak sprake van een verzwegen banktegoed bij een bank met een bankgeheim, en dat heeft de Duitse bank in de onderhavige procedure niet. Overigens gold in de periode van navordering voor geen enkele buitenlandse bank een renseigneringsplicht. Deze verschillen leidden in het in FutD 2008-0608 genoemde arrest tot twee aanvullende prejudiciële vragen.